Tag-Archief - Cultureel Persbureau
Laatste editie Springdance sluit overtuigend af met première van non stop intens concert door Meyers, Sehgal en het REDUX ORCHESTRA
29 april 2012 | Fransien van der PuttVoor de tweede keer tijdens Springdance delen artiesten en publiek het toneel van de Utrechtse Stadsschouwburg. REDUX ORCHESTRA speelt onder leiding van de componist Ari Benjamin Meyers diens Symphony X, een pulserend, up-beat (120 p/m) minimal werk. Toeschouwers, dirigent en musici – mag je hen nu gewoon muzikanten noemen? – gaan op in één grote, uiterst subtiele, participatoire choreografie van Tino Sehgal.
Via gangen waarvan normaliter alleen artiesten en technici gebruik maken, stroomt het publiek het toneelhuis van de Schouwburg binnen. Het geurende hout van de ongelakte toneelvloer brengt nog even de doorgaans hevig geboende vloeren van het klassieke muziekgebouw in herinnering. Door de hoogte monumentaal, maar verder kaal en technisch, levert het podium met gesloten brandscherm een ideale, instant industriële concertzaal op. Her en der staan wat muziekstandaards, een flinke drumkit en wat versterkers.
De eerste zet in choreografie is dat het publiek in de stoelloze omgeving zich moet bedenken waar en hoe het de aangekondigde anderhalf uur zal gaan doorbrengen. Wanneer het 16-koppig ensemble binnentreedt, instrumenten in de hand, is er even een moment van herkenning. Maar in plaats van zich in een gesloten formatie rond de dirigent op te stellen, verspreiden de musici zich door de ruimte, sommigen gaan zelfs met hun rug naar de dirigent zitten.

Een betere afsluiting van 34 jaar Springdance dan met Symphony X had het festival zich niet kunnen wensen.
Het stuk is nog maar net begonnen, of Seghal zet de eerste van een flink aantal donkerslagen in. Voor de opvoering van een razend moeilijk stuk wel gewaagd, zou je zeggen. Het werpt alle aanwezigen terug in het zelfde bad van ritme en klank. Iedereen moet nu vertrouwen op zijn oren, wordt geconfronteerd met zijn eigen situatie, aandeel of partij in het stuk. Ook sommige toeschouwers vatten die rol heel actief op. Een licht exhibitionistische meneer houdt bij het optrekken van het licht niet op mee te hupsen en te fladderen, tussen de toeschouwers en muzikanten door. Toeschouwers swingen mee, anderen zitten of staan, maar voortdurend is het hele podium in beweging.
De muzikanten verwisselen van plek, lopen rond, zwaaien met hun instrumenten, verlaten soms de vloer. De live-versterking speelt een spel met welke instrumenten boven de lagen van syncopen uitkomen. Als je wilt, kun je als toeschouwer ook zelf aan de knoppen gaan zitten door van muzikant naar muzikant te gaan en bijvoorbeeld de eenzame violiste even speciaal in het horende vizier te nemen.
Meyer’s opgewonden “Symphony X” is een hommage aan de neo-minimal en no-wave van mensen als Glenn Branca en Rhys Chatham van eind jaren zeventig, begin jaren tachtig. Maar door de bezetting van merendeels blazers, een drummer, twee strijkers, een bas- en een slaggitarist verwijst de symphonie ook naar big band en rock, postpunk en industrial. In al zijn complexiteit speelt de compositie voortdurend met allerlei klankconventies en soorten swing. Het meest indrukwekkende aan het werk is de enorme, aanhoudende inzet die de 120 beats per minute vergen van dirigent en muzikanten. Het is 70 minuten lang non-stop intens.
“Symphony X” ging al in 2009 in première, maar Meyers vond dat de statische situatie, waarin ook nieuwe muziek doorgaans wordt opgevoerd, het stuk geen goed deed. Tino Sehgal, die als kunstenaar al een decennium furore maakt met het enscèneren van bijzondere situaties, stelde voor om publiek en muzikanten van hun vaste plek te halen en de fysieke scheiding op te heffen.
In het Springdance Magazine zegt Meyers dat hij niet geïnteresseerd is in het vinden van een eigen “muzikale taal”, maar dat zijn kunstenaarschap hem zit in het vinden van nieuwe werkwijzen. Deze houding tekent ook Sehgal. Het subtiele reliëf dat de muzikale compositie heeft, is door Seghal voorzien van een mis-en-scène, die zaterdagavond culmineert in een uiterst hedendaags pas de deux voor toeschouwers en muzikanten, muziek en beweging, licht en donker, gecomponeerde tijd en beleefde ruimte.
Een betere afsluiting van 34 jaar Springdance had het festival zich niet kunnen wensen. Alle multi-, inter- of überdisciplinaire ontwikkelingen van de afgelopen decennia blijken uiteindelijk terug te vloeien in dat ene concept dat choreografie heet. Tekst en context verbonden door de bewegingen van alle aanwezigen op die elkaar implicerende assen van ruimte en tijd. Dat is dans. Laten we hopen dat nieuwe Springfestival net zulke intelligente verassingen weet te programmeren.
http://www.aribenjaminmeyers.com/selected-projects/SYMPHONY-X.html
Dodojournaal: Symphony X is een spectaculair slot van 34 jaar Springdance
29 april 2012 | Wijbrand Schaap34 jaar Springdance festival samenvatten is onmogelijk. Evalueren kunnen we eigenlijk ook niet. Treuren omdat het dit jaar voor het laatst was? Misschien. Het festival dat in zijn jongvolwassen leven langs diepte- en hoogtepunten zeilde, gaat op in een nieuw festival en niemand weet op dit moment, 28 april 2012, nog hoe dat festival gaat heten, en wat het in zal gaan houden.
De Dodo is in ieder geval bij de laatste twee edities van Springdance aanwezig geweest, en ons team kan terugkijken op twee spannende edities. Onvergelijkbaar, zelfs voor kenners. Voor de herinnering, ons journaal in een langere versie.
En voor de credits: de journaals werden gefilmd met 2 Kodak Zi8-HD pocketcamera’s en soms 1 Canon 7D DSLR. Het geluid werd opgenomen via een combinatie van Azden-microfoon en Zoom H2 geluidsrecorder, belicht door Rotolight led-lampen en dit alles werd vervoerd op een Fietsfabriekfiets en bediend door Wijbrand Schaap, die de zaak daarna monteerde met het open source video-editingprogramma OpenShot op een Ubuntu-machine.
De eindredactie van de artikelen was in handen van Madeleine Rood
En, last but not least: de iPhone van onze host, Daniël Bertina. Voor een geheel eigen overzicht van het festival:
Zeldzaam knappe en exceptionele voorstelling ”Lang” van Kat Válastur slaat je lam van verwondering en zuigt je mee in maalstroom
28 april 2012 | Ruben BrugmanKat Válastur beweerde dat het bijna onmogelijk is de dynamiek van haar voorstelling met woorden te omschrijven. Ze heeft gelijk. Het is zeldzaam knap hoe met slechts twee dansers op één plek, zoveel kan worden uitgebeeld en het publiek in een maalstroom wordt meegezogen.

foto: Nysos Vasilopoulos
In de kleine zaal van Theater Kikker klinken mechanische dreunen en verschijnen midden op het toneel twee reuzen. Het blijken danseressen: ze staan achter elkaar met de rug naar het publiek gekeerd en beginnen te ‘slow dansen’. Of is het een soort rollerdisco op de plaats maar dan zonder rolschaatsen? Gedurende een aantal minuten draaien ze langzaam naar het publiek. De concentrische cirkels veranderen logischerwijs in twee parallele figuren. De handen voor zich uitgestoken met omwentelende polsen.
Met deze opening zet de voorstelling ”Lang” in als een hallucinerende achtbaan. Duizelingwekkende werelden trekken voorbij aan de dansers en het publiek en dit alles door het verplaatsen van het gewicht van het ene been op het andere. Weliswaar zo’n veertig minuten op een halfhoge demi-pointe (de tenen), wat een fenomenale aanslag moet zijn op de kuiten. Een frappante variant van het etherische op-de-tenen dansen in ballet.
‘Aaahhh, uueehhhh’. De muziek bestaat uit langgerekte samples van woorden met echo’s als in een industriële hal. De bovenlichamen beginnen zich in te zetten op het perpetuum mobile van het benenwerk. Een schouder op en neer, een ja-knikker die nee zegt, alles gebeurt als eentonige arbeid. Onzichtbare mijlen moeten worden afgelegd. Een tweede rondje richting publiek is gemaakt. Zodra de ruggen zichtbaar zijn wordt niet-synchroon gedanst, als alen in een ton. Je oog kan met de tegenbeelden niet alles bevatten wat zich afspeelt. De dansers hangen als Pinokkio’s aan een touwtje met bungelende voeten, onderworpen aan de wil van beweging.
Er komt meer variatie en licht in de cirkel wordt sterker. Je bent bereid geestdriftig mee te doen aan een oorverdovend applaus als het nu voorbij is. De dansers blijven echter doorgaan. Een hairflip wordt toegevoegd, klanken worden staccato, net als de beweging. De grond gaat deel uitmaken van de dans want de twee-eenheid beweegt zich naar beneden met stuiptrekkingen. De inmiddels onmenselijke wezens veranderen in angstaanjagende insecten met hoekige poten op de grond. Dan springen ze in een climax weer als kikkers op.
Er is geen emotie, het lichaam is de emotie. De dreunen keren terug en het lijkt of eindelijk door de dansers de vloer kan worden betast met de gehele voet. Na afloop rest een vochtige cirkel op de vloer met een diameter van zo’n vier meter. De tastbare getuigenis van een exceptionele voorstelling die je lam heeft geslagen van verwondering.
De in Athene geboren Katerina Papageorgiou (Kat Válastur is een uit artistieke onzekerheid verkozen pseudoniem) is in haar werk geïnspireerd door de Odyssee. “Elke reis wordt gekenmerkt door het concept van terugkeer, tijd verandert alles. De plaats van terugkeer is en is niet hetzelfde, ook al is het steeds daar.” Zij wil met haar bewegingen een indruk geven van adem, een polsslag, een draaiend wiel, getijden en cycli van leven en dood. “The more I strip away the closer I get to the source, which to me means the concept of movement, why I move and why I dance.”
Choreografie: Kat Válastur
Performers: Ana Laura Lozza en Kat Válastur
Componist: Antonis Anissegos
Live-Muziek: Matthias Gruebel
Licht ontwerp: Nysis Vasilopoulos
Kostuums: Benjamin Klunker
Dramaturgie: Nikos Flessas en Marialena Mamareli
Tot de verbeelding sprekend kunstwerk SYLPHIDES kijkt naar wat mensen beweegt, om te beginnen met de adem
28 april 2012 | Ruben BrugmanElk festival smeekt om vrijwilligers en in de begindagen van Springdance waren er zelfs helemaal geen betaalde krachten. Dat zegt ook iets. Nu Springdance na dertig jaar gaat fuseren met Festival aan de Werf is het thema van deze laatste editie ‘scupltured bodies & body sculptures’. Bij SYLPHIDES is dit treffend van toepassing. “Hoe mensen bewegen interesseert mij niet, ik wil weten wat hen beweegt.” Een gevleugelde uitspraak van Pina Bausch naar wie Springdance, vanwege haar gedreven notities van The Rite of Spring, is vernoemd. SYLPHIDES kijkt letterlijk naar wat mensen beweegt, om te beginnen met de adem.

Alain Monot
De lekkermakende trailer van SYLPHIDES, een drie jaar oud werk van Cecilia Bengolea en François Chaignaud, creëert hooggespannen verwachtingen. ‘Drie lichamen verpakt in zwart latex transformeren langzaam tot een klassiek beeldhouwwerk. Onder het verstikkende materiaal zoeken longen, ribben en buikspieren onbedwingbaar naar bewegingsvrijheid.’ Bengolea en Chaignaud waren deze week bij Springdance te zien in het extravagante (M)imosa, dat toert door Europa. SYLPHIDES moet verwijzen naar de fantasiewezens die tussen leven en dood pendelen en het concept stoffelijk lichaam overstijgen.
Drie cocons liggen op toneel. Een vrouw komt ze als illusionist met een elektrische pomp in stofzuigerkabaal vacuüm zuigen. Eerdere toeschouwers hebben, zo is verteld, last gehad van paniekaanvallen en je kunt het inderdaad benauwd krijgen. De performers ademen door een pijpje en je leeft met ze mee. Ook het contrast van de nog op knappen staande cocons en het al leeggezogen exemplaar doet je ongemakkelijk voelen. Uiteindelijk liggen drie mausoleumbeelden roerloos, klaar naast elkaar.
De illusionist komt terug en heeft macht. Zij bepaalt wat er met de amorfe wezens gebeurt en die berusten in hun lot. Ze laadt ze als een tafereel uit de Bauhaus-periode op een kar en blaast ze weer op. Op een onbegrijpelijke manier bewegen de staande figuren zich diagonaal en horizontaal. Het publiek wil bevrijd worden van de ernst, want het begint te lachen zodra een performer rond gaat hoppen. Tot slot komt de als power lady geklede vrouw terug om de lucht weer te doen ontsnappen. Drie echte mensen verschijnen uit de pakken en gaan kinderlijk vrij dansen op de Spice Girls. Viva Forever.
SYLPHIDES is een kunstwerk dat zich tussen theater en beeldende kunst in bevindt. “Is the performer the object or is the object the performer?”, vragen de makers zich af. Gebaseerd op een prachtig en spannend kostuumontwerp van Sothean Nhieim toont SYLPHIDES aan dat een origineel concept om een even origineel demonstratieplatform vraagt. Niet een vlakke, kale toneelvloer met coulissen. Danseres/choreograaf Canan Yücel, eerder te zien bij een voorstelling van Europe in Motion, verdient een extra compliment: zij kreeg een dag eerder te horen in te moeten vallen in verband met ziekte.
Fragmentarische eerste choreografie van kunstenaar Martin Creed is vrijblijvend, schetsmatig en mist spanning
27 april 2012 | Daniël Bertina“We’ve been working on some songs and dances,” zegt beeldend kunstenaar Martin Creed, bijgestaan door zijn vijfkoppige band en vijf balletdansers. In zijn fragmentarische voorstelling onderzoekt Creed de relaties tussen de vijf basisposities uit het klassiek ballet, de springerige off-beat ritmes van zijn postrockbandje, en Creeds eigen videokunst. Dit is zijn eerste choreografie en dat is te merken. ”Works No. 1012 Ballet” voelt té schetsmatig en mist spanning. Ondanks de ranzige video’s.
Mechanisch bewegen de dansers zich over het podium. Als balletrobots. De absurdistische liefdesliedjes van Creed en consorten worden afgewisseld door hun statische, cyclische dans, op de klanken van losse noten of toonladders. De ballerina’s beperken zich tot vijf basisposities, maar de volgorde van de bewegingen blijkt heel complex.
De speelvloer is uitgemeten en opgedeeld met kruisjes, precies de lengte van één volle stap, waardoor de dansers zich kunnen oriënteren in de ruimte. Ze bewegen versneld of vertraagd, soms in canon of echo. Ze zijn onderworpen aan mathematische spelregels en stemmen hun bewegingen precies af op de dynamiek van de muziek. Maar in alles volgen ze de klanken van de grillige bandleider Creed. Na elke scène verdwijnen ze één voor één door een zijdeur, net zoals ze zijn opgekomen.
Het zijn vooral de kleine, spaarzame interacties tussen de dansers en muzikanten die ”Work No. 1012 Ballet” interessant maken. Toch blijft de voorstelling een serie kunstjes zonder grotere spanningsboog en blijft het té vrijblijvend. We gaan van schets naar schets. Van liedje naar dansje naar liedje, met op de achterwand geprojecteerde fragmenten van Creeds bij vlagen erg geestige, soms erg ranzige videokunst.
Creed heeft een reputatie voor uiterst minimalistische, what you see is what you get conceptuele kunstwerken. Zo won hij in 2001 de Turner Prize met zijn ”The Lights Going On and Off (Work No. 227)”, waarbij hij de zaallichten van één van de expositieruimte in de Tate Gallery aan en uit liet gaan. Of hij liet om de dertig seconden, vier maanden lang, een atleet door de Tate Britain rennen. Ook zijn zeer heftige en abjecte videokunst is net zo zorgvuldig bedacht en uitgewerkt.
Opeens is ”Work No. 1012 Ballet” afgelopen. Heel abrupt en onbegrijpelijk. Schijnbaar nog middenin een dansscène. “OK, that’s is,” roept Creed met een demonische grijns. Hij legt uit: “Tonight, we’ve been trying out some bits and pieces.” Daar moeten we het mee doen. Het zaallicht gaat aan en onmiddellijk begint het nagesprek. Creed krijgt een fles champagne in de handen gedrukt en de gespreksleider vraagt of het publiek de kunstenaar nog iets te vragen heeft.
Gedurende dit alles speelt tegen de achterwand een scène uit Shit Film, ook videokunst van Creed. Een Aziatische dame hijst haar jurk op, hurkt, steun, kreunt en gaat pontificaal zitten kakken. Een handjevol mensen vlucht meteen de zaal uit. De rest blijft nog even zitten. Stomgeslagen.
Creed haalt zijn schouders op: “Dáárom houdt ik ook zo van galeries. Die hebben geen stoelen, dus kan je sneller weglopen.”
Work No. 1020 Ballet door Martin Creed. Gezien: Akademietheater, donderdag 26 april.
Ibrahim Quraishi’s “My private Himalya” sprankelt door achterwege blijven van dramatiek
25 april 2012 | Fransien van der PuttEen tentje dat voor zeeanemoon op het droge mag spelen, de vier pootjes parmantig in de lucht. Acteurs die een kopje thee drinken en een potje kaarten. Het oogt allemaal heel onschuldig. Wat begint als een wonderlijke fotoroman groeit stilaan uit tot een rebus van aanzienlijke lengte. “My private Himalaya” heeft veel weg van een wandelende tentoonstelling, met een windmachine in de rol van de grote ‘curator’. Vadertje Tijd blaast uiteindelijk alle beelden op één grote, desolate en indifferente hoop.
Het was dinsdagavond bepaald geen volle bak bij Quraishi’s “My private Himalya” op Springdance. De gespannen en verwachtingsvolle sfeer, die eigenlijk bij premières hoort, ontbrak. De voorstelling ademde daardoor helemaal de weldadige rust van een goed museum. Alleen loopt bij Quraishi het publiek niet van het ene opgestelde naar het volgende ingelijste beeld, maar trekken de beelden juist aan het publiek voorbij.
Aan weerszijden van een lange witte vloer zittend, wordt het publiek in “My private Himalaya” slechts door tl-bakken en ‘blacklight’ van de acteurs op de ‘catwalk’ gescheiden. Acteurs zijn hier zowel dingen als mensen. Uit de interactie tussen die twee worden de beelden opgebouwd. Het publiek zit er met zijn neus bovenop, net zoals in het museum, en kijkt toe.
Quraishi vertelde in een recent interview hoe hij ooit tijdens de nachtmis in Salzburg enorm werd geraakt door een oudere vrouw, die in tranen neerknielde bij een plastic popje voorin de kerk. Wat voor de één een goedkoop ding is, is voor een ander de heiligheid zelve. Mannen houden van auto’s, mensen van dieren, en sommige Engelsen rouwen nog steeds om Lady Di, zonder dat zij ooit een intiem moment met haar hebben gedeeld.
In deze voorstelling danst een vrouw met een autodeur, probeert een jongen in gebarentaal met een immense buste van Socrates te communiceren en ben ik onder de indruk van een welgevormde, pluchen Yorkshire Terrier. Adoratie is de overtreffende trap van hechting en kent geen grenzen. Lady Di, het plastic Jezus-popje en je eigen moeder, ze zijn op een zeker moment inwisselbaar.
Hoewel een heel aantal scènes zeker een aangrijpende potentie hebben, worden de dingen en de mensen nooit tot ‘echt’ theater opgeblazen. De houding van de acteurs en het geraffineerde tempo, waarin de scènes worden opgebouwd en afgebroken, zorgen ervoor dat iedere dramatisering achterwege blijft. Ook het ronduit geweldige geluidsdecor van s.m. snider en Norscq bestaat uit een aaneenschakeling van subtiele understatements.
Terwijl Quraishi de ingrediënten voor de ene na de andere emblematische situatie opvoert en beelden slechts als ding behandelt, voorkomt hij iedere vorm van sentiment of opwinding. Hij bouwt, verbouwt, citeert, assembleert en tornt zorgvuldig de identificatie los. Hij laat de beelden zonder hun lading zien, speelt met afmetingen, schaal, proportie, timing. Om tegelijkertijd het belang en de onzinnigheid van het proces van hechting duidelijk te maken, kan hij geen dramatiek gebruiken.
Wat moet een mens met al die dingen, al die beelden van onszelf en van anderen, lijkt Quraishi zich stilletjes af te vragen. Ze stellen ons in staat met elkaar te communiceren, grote verhalen te vertellen, gevoelens een plek te geven, maar het zijn ook heel venijnige wapens om elkaar onder uit te halen en kapot te maken.
Ooit moest hedendaagse kunst nieuw zijn, maar Quraishi laat zien hoe vergankelijk ook die claim is. Eigenlijk is alles wat hij opvoert op anderen terug te voeren. De beelden zijn geleend, het zijn clichés of emblemen, hoe verfrissend de tijdelijke constellaties ook zijn. Hij citeert ook andere kunstenaars. De witte vloer doet denken aan de beroemde performance van Franko B “I miss you“. Het tentje doet aan het werk van Ola Maciejewska denken en Aitana Cordero citeert in de voorstelling voortdurend zichzelf in haar eigen performance “Solo…?“, waarbij ze na een uiterst zorgvuldige compositie met dingen, de boel kort en klein slaat. Die woede ontbreekt “My private Himalaya” ten ene male.
In plaats daarvan bergt Quraishi zijn acteurs, dingen en mensen, op in een ruisend graf. Alles blijft intact, de beelden worden verder gedragen, alleen de mensen verdwijnen steeds opnieuw uit beeld.
Meer info: http://ibrahimquraishi.org/ en http://www.macba.cat/en/expanded-choreography-situations
Avdal en Shinozaki sturen met “Field Works – office” een broeierig lentebriesje door burelen van Centraal Museum
25 april 2012 | Fransien van der PuttJe denkt dat je een kaartje voor Springdance koopt, maar eigenlijk maak je een afspraak op kantoor, bij het Centraal Museum. Eenmaal binnengelaten in de wachtruimte, lopen medewerkers je druk voorbij en neemt de portier het ene na het andere gesprek aan. Je vult braaf een formulier in. Zoals gebruikelijk moet je allerlei personalia prijsgeven. En dan die vraag: wat was de mooiste voorstelling die u ooit zag? Even kun je helemaal niets bedenken.

De vriendelijke man die je voorgaat, vertelt niet waar het heen gaat. Je bent niet zomaar toeschouwer, of zelfs maar te gast, je hebt ineens een rol, al is het maar die van onschuldig slachtoffer. Wanneer je enigszins geschrokken achter een bureau plaatsneemt, vraag je je af wat voor een scenario dat zou zijn? Niemand spreekt tegen je. Er verschijnt alleen zo nu en dan een op een klein kaartje een gedrukte aanwijzing. “Follow me”. Iedereen is buitengewoon vriendelijk. Behalve dan de norsige man, die gapend voorbij komt. Dat was toch gewoon een medewerker van het museum?
Een gil op de wc, hooggehakte benen die uit een lade steken. Natuurlijk is het voor iedereen die ‘Field Works – office’ bezoekt, onmiddellijk duidelijk wie echt bij het museum werkt en wie door Avdal en Shinozaki is ingehuurd. Maar het spel werkt. Achter iedere dossierkast verwacht ik na verloop van tijd een brandende prullenbak, of erger. De nieuwe rol die de toeschouwer geruisloos krijgt toebedeeld, onder geleide museumambtenaren in het wild bekijken, kent geen duidelijke regels.De acteurs spelen de echte wilden na, overdrijven en vergroten uit, maar langzaam impregneren ze de toeschouwer met een ander, licht absurde of perverse perspectief op de zaak.
Als toeschouwer kun je alleen maar gissen naar wat er nu eigenlijk van je verwacht wordt. Welke rol hebben de vele acteurs je nu hebben toebedeeld? Als vanzelf ontspinnen zich allerlei scenario’s in het hoofd. De toeschouwer-bezoeker kan kiezen. Blijf hij op afstand en breekt daarmee steeds een beetje het spel van de anderen? Of gaat hij er in mee en wordt daarmee steeds verder de wereld van de voorstelling ingezogen? Kun je deel worden van een scenario waar je eigenlijk helemaal niet in wil durft op te treden?
Nooit worden de acteurs echt opdringerig. Altijd zijn ze even beleefd en representatief, zoals dat hoort met gasten op kantoor. Brynjar Åbel Brandlien maakt hele zachtaardige striptekeningen. In plaats van mondelinge uitwisselingen worden zijn tekeningen je voorgelegd, als elegante hints vliegen de papieren je soms om de oren. Het lijken slechts speelse suggesties, maar soms gaat er wat mis in die tekeningen.
Als ik 30 minuten later het pand verlaat, en door de zon richting Oude Gracht loop, zie ik overal op straat mensen vreemde dingen doen. Een poster kondigt een Romantisch feest bij de Doopsgezinde gemeente aan? Ik huiver en geloof mezelf niet.
Portugezen Sofia Dias en Vítor Roriz laten de taal bewegen en hun bewegingen spreken
25 april 2012 | Maarten BaandersJe hebt van die voorstellingen die je opmerkelijk eenvoudig en onnadrukkelijk een compleet eigen wereld binnenslepen. Voorstellingen waarin alles herkenbaar is. Woorden, beweging, decor. Alles even vertrouwd en huiselijk. Maar dan wordt er een tikje tegen gegeven. Patronen vervloeien. De taal staat op losse schroeven. Alles rammelt en raakt op drift. En toch klopt het. Voor je ogen en oren speelt zich een wereld af zonder barsten en met een eigen logica. Op de een of andere manier verlaat je na afloop de zaal met een goed gevoel.
Zo’n voorstelling is ‘A gesture is nothing but a threat’. Sofia Dias en Vítor Roriz laten de taal bewegen en hun bewegingen spreken. Hetzelfde ritme, dezelfde vaart omvat hun woorden en hun gebaren. Ze bouwen er een geweldige spanning mee op.
In hun performance-achtige werk, zoals ‘Again from the beginning’, doorbreken Dias en Roriz vaker heersende codes en beelden, om er een nieuw verband uit op te bouwen. In ‘O mesmo mas ligeiramente diferente’ lieten ze met beweging zien wat voor wonderlijke wegen er onder taal schuilgaan.
In ‘A gesture is nothing but a threat’ doen Dias en Roriz iets wonderlijks met woorden. Ze rijgen ze aan elkaar. Ze maken associaties, niet op wat de woorden betekenen, maar op hun klank. ‘Open your eyes,’ nodigen ze het publiek uit. De woorden vloeien uit. ‘I hope you rise,’ komt eruit voort, en vervolgens: ‘You’re right’. Zo gaat het door. Telkens opnieuw brengen ze zo’n prachtige poëtische vloed op gang. Woorden zijn geen afgebakende brokjes met een vaste betekenis meer. Het is opmerkelijk zo creatief als deze twee Portugezen met de Engelse taal omgaan. Of kunnen ze dat juist omdat ze geen native speakers zijn? Zijn ze meer dan Engelsen in staat de schotjes die woorden en hun betekenissen van elkaar scheiden ertussenuit te halen? Volkomen natuurlijk nemen ze je mee in de ene taalverrassing na de andere. De klank bepaalt de kronkelweg. Uiteraard zijn woorden nooit helemaal van hun betekenissen los te maken. Daardoor zijn de woordenreeksen in deze voorstelling zo geestig. In hoog tempo tippen Dias en Roriz allerlei betekenissen aan, zonder erbij stil te staan. De betekenis vliegt zo weer weg. Dit geeft je een duizelingwekkend gevoel, alsof je met enorme vaart door het universum gezwiept wordt.
Met hun bewegingen doen ze hetzelfde, maar geleidelijker en subtieler. Het begin is doodnormaal.: een man en een vrouw aan een tafel. Vanuit die positie bouwen ze een reeks bewegingen op, telkens herhaald, telkens aangevuld met een volgende beweging. Opstaan, een kaart oprapen, water drinken: niets bijzonders, lijkt het. Maar geleidelijk slechten ze op een lichte manier de muurtjes van het normale. Meubels gaan op hun kant. Dramatische gebaren en mimiek breken naar buiten. En dit alles soepel en met een meeslepend ritme. Langzaam maakt de huiselijkheid plaats voor een prachtige absurditeit. Nog steeds heel eenvoudig en helder. Bevrijdend is het. Dat maakt dat je met zo’n goed gevoel de zaal verlaat.
Maarten Baanders
‘A gesture is nothing but a threat’, door Sofia Dias en Vítor Roriz. Gezien: Theater Kikker, 24 april. Daar nog te zien: 25 april, 20.00 uur
In wisselvallige en tergend traag ”Untried Untested” blijft de kinderlijke verwondering over de natuurwetten teveel op afstand
25 april 2012 | Daniël BertinaWat is zwaartekracht? Wat is lucht? Wat is adem? In Untried Untested van choreograaf Kate McIntosh onderzoeken vier vrouwen met simpele middelen de magische werking van de natuur. Ze zijn gewapend met tientallen zwarte ballonnen, een kluwen scheepstouw, een handjevol veren, een paar zakken aardappels, windmachines en tl-lampen, een speelvloer van pakpapier. En hun eigen lichamen. Helaas blijft die verwondering té ver op afstand door het vreemde, onevenwichtige tempo.
Bij binnenkomst is de speelvloer leeg en rommelen de vier performers van Untried Untested achteloos met hun rekwisieten. Een voor een lopen ze op en bezaaien de speelvloer met zwarte ballonnen. En ze verdwijnen weer. Vanaf de zijkant beginnen drie windmachines te blazen. Heel zachtjes trillen de ballonnen in de luchtstroom, komen in beweging en worden langzaam naar het midden van de vloer gedreven. Ze dansen! Spontaan komt er orde in de chaos.
Dat is van korte duur. Woest storten de vier performers zich op het rubber. Met klauwende handen knijpen ze de ballonnen kapot, bijten erin, trappen erop, nemen een snoekduik en verpletteren ze, of botsen ermee tegen de zaalmuur. Bij elke knal stort er iemand ter aarde. Het snerpende gekraak, veroorzaakt door de wrijving met het rubber, maakt een indrukwekkende teringherrie. Deze hilarische chaos zet door. Totdat alles kapot is, en de speelvloer bezaaid met losse ballonflodders.
Even later staan twee spelers naast elkaar en tonen verschillende dingen aan het publiek: een handjevol veren, een steen, een boek of een kluwen touw. Allebei met een blik die zowel verontschuldigend als uitdagend lijkt. Opeens blaast een derde speler, liggend in een hoek van de speelvloer een ballon op. Ze springt op, zet een sprint in en rent tegen de zaalmuur aan. Met een harde knal klapt de ballon en de performer smakt op de grond. Voor dood. Geestig natuurlijk, maar ik heb geen idee wat ik hiermee aanmoet.
Bovenstaande grilligheid is symptomatisch voor Untried Untested. Lange passages met zeer minimale beweging worden afgewisseld met plotselinge, absurdistische en hysterische versnellingen. Daar is in principe niets mis mee. Maar het meeste in Untried Untested gebeurt op zo’n hemeltergend langzaam tempo, dat juist bij die plotselinge versnellingen alle spanning in één klap wegglipt en – helaas – ook de associaties niet beklijven.
Op één geweldig beeld na.
Tegen het eind van de voorstelling is één van de vrouwen is ter aarde gestort. Ze wordt als een lappenpop door de anderen in een cirkel over de speelvloer gesleept, die bezaaid is met rekwisieten. Ze blijft haken. Er ontstaat een scheur in het pakpapier en met een oorverdovend geraas wordt het hele papieren speelvlak kapot getrokken. Als in een verwoestende, allesverslindende draaikolk die alles met zich mee sleurt; een tsunami van papier en rotzooi. Ze eindigt als een gigantische berg.
Dit prachtige slot maakt veel goed, maar er ging veel wisselvalligheid aan vooraf.
Dinsdagjournaal Springdance over tempo, tijd, werkelijkheid en vervreemding, en soms over verveling
25 april 2012 | Wijbrand SchaapDeze dinsdag stond in het teken van dagelijkse handelingen die kunst werden, of kunst die tot dagelijkse handeling werd. We zijn daar nog niet helemaal over uit. Daniël Bertina, Fransien van der Putt en Maarten Baanders praten na over Field Works: Office van Heine Avdal en Yukiko Shinozaki, A gesture that is nothing but a threat van Dias en Roriz, MY Private Himalaya van Ibrahim Quraishi en Untried and Untested van Kate Macintosh. Het ging over tempo, tijd, werkelijkheid en vervreemding, en soms over verveling.
Jonge dansmakers ontmoeten elkaar en ontwikkelen talenten in reizende danswerkplaats Europe in Motion
24 april 2012 | Ruben BrugmanEurope in Motion is een reizend talentontwikkelingsprogramma en fungeert als ‘battleground’ en plek van ontmoeting voor jonge choreografen. Wat urgent is in dans, wordt een week lang besproken om dansmakers te stimuleren in hun artistieke ontwikkeling. Deze tweede editie, met partners Dance4 (Nottingham), iDans (Istanbul) en Imagetanz (Wenen), eindigt in Utrecht. Op Springdance was eerder dans uit high tech laboratoria in Israël (Batsheva Dance Company) te zien. Het is nu tijd voor beweging uit Europees low profile werk van danswerkplaatsen.

Bahar Temiz foto Anna van Kooij
Het toneel is een witte, gestripte bak. Bij Bahar Temiz uit Turkije staat in 1+ een danseres half op het toneel en loopt naar het midden. Een effectieve stilte valt. Op de achtermuur is projectie van de ruimte te zien. Zodra muziek begint, komt hedendaagse beweging op gang die halverwege verandert in dans. De solo komt voort uit eerder gemaakt groepswerk en vanwege de afwezigheid van de dansers focust de choreografe zich op gebruikte en niet gebruikte ruimte. Deze solo is vooral een studie door een getrainde danseres.
In Vimmaa (uitzinnigheid) van Satu Tuomisto beginnen een jongen en een meisje hardop te lachen. Er volgt dans waarvan spannende foto’s gemaakt kunnen worden: wisselende sprongen met haren in de lucht of een rol op de vloer. De jongen rent steeds een halve cirkel achteruit, hier is meer sprake van choreografie. De maakster legt na afloop uit dat een opdracht bij het Fins Nationaal Ballet een drang gaf uit een stramien van dans te breken. Dat gebeurt met een hartslag waarmee haar twee dansers worden aangedreven tot een ritmische erotiek. Net als in het echt kan het onzinnige beweging lijken, maar als het meevalt lang duren.
Twee verveelde correspondentievriendinnen Inge van Bruystegem en Veronika Zott zitten in korrespondenz met geschminkte gezichten op een tafel. Op een band wordt hun briefwisseling in het Engels met vet accent voorgelezen. De dansmakers hebben een achtergrond aan de London School of Contemporary Dance maar daar is weinig van te zien. Veronika danste in werk van Ivo Dimchev (te zien op Springdance). Deze alleskunstenaar is van een geheel ander kaliber en zal dat blijven. Voer korrespondenz maandenlang op locatie non-stop uit en het kan een artistieke waarde hebben.
Canan Yucel legt in My Motto eieren op de vloer, loopt naar het midden en kijkt boos het publiek in. Ze begint moderne dansbewegingen op de vloer met blauwe sokken aan en stopt voor een disclaimer over de voorstelling: die zal niet het beste zijn dat we hebben gezien. Canan blijkt naast ex-rechtenstudent ook entertainer te zijn en kent gezonde zelfreflectie. Ze vraagt of we graag een stukje dans op muziek zien om direct te starten en het weer weg te wuiven. Ze begint een verhandeling over de effecten van het Nederlandse belastingstelsel op relaties en concludeert: “If you don’t have a partner, I think it’s okay”. Met My Motto stelt Canan de vraag of middelmatigheid een manier van leven is.
Geen van de stukken hebben de pretentie af te zijn. ‘Nothing can be the best’ was de boodschap die dansdramaturg Robert Steijn en choreograaf Maria Hassabi als mentor wilden meegeven aan de jonge makers.
Europe in Motion is nog te zien (met andere talentvolle makers) op 24 en 25 april.
Ruben Brugman
Pure camp met een enorme theatrale intelligentie in (M)IMOSA, waarin vier flamboyante drag queens om aandacht vragen
22 april 2012 | Daniël BertinaManiakaal galoppeert ze over het podium, stampend als Michael Flatley on crack. Graatmager en met ontbloot bovenlijf raast Marlene Monteiro Freitas tapdansend in de rondte. Ze knijpt in haar tieten en trekt handenvol (nep)haar uit haar scalp. “My name is Mimosa Ferrara,” hijgt ze dreigend, terwijl haar zwarte legging van haar kont zakt en vlak boven de schaamstreek blijft hangen. “And these fucking pants are always falling down.”
In (M)IMOSA belichamen vier flamboyante performers – twee mannen, twee vrouwen, allemaal androgyn – om de beurt de ultieme hysterische fantasietravestiet: Mimosa Ferrara. Dat doen ze in de vorm van een battle, waarin ze elkaar voortdurend in flair en overdaad proberen te overtreffen. De voorstelling is een eerbetoon aan de New Yorkse underground travestietenscene van de jaren tachtig, met haar woeste vogue dansbattles, vastgelegd in de monumentale documentaire Paris is Burning (1990). Vermengd met invloeden uit de hedendaagse dans en chaotische performancekunst.
In hoog tempo volgen de meest uiteenlopende acts elkaar op: hilarische imitaties van popiconen Prince en Kate Bush, fragmenten klassiek ballet, breakdance met schuddende hiphopbillen, standup-comedyachtige monologen, hyperseksuele droogneukbewegingen, operettezang en uitzinnige vogue in de stijl van grondlegger Willi Ninja.
Na Monteiro Freitas barst Trajal Harrell los. Hij is minder flamboyant gekleed dan zijn voorganger, maar introduceert zichzelf ook als Mimosa Ferrara. Harrell grijpt de microfoon en zingt met trillende stem en volle overgave een bombastische tearjerker. Halverwege het nummer struint Francois Chaignaud vanuit het publiek de zaal in, gewapend met een glimmende boa, verentooi, geföhnd hardrockhaar en een snerpende falsetstem. Hij lijkt een kruising tussen rocker Dee Snyder en Hedwig & The Angry Inch, maar hij is óók Mimosa Ferrara. De vierde Mimosa – slangenmens Cecilia Bengolea – kruipt tevoorschijn als een grijze larve in een zeer nauwsluitend, nietsverhullend stretchpakje. Met een nadrukkelijk aanwezige dildo in de broek kronkelt ze als een malloterige transgenderstripper over het podium.
Goddank vermijdt (M)IMOSA de stompzinnige onderbroekenlol. Dat lukt doordat de performers voortdurend alle hysterie en aandachttrekkerij op het podium zélf ondermijnen. Ze geven vilein commentaar op hun eigen voorstelling, en soms ook hun eigen act.
Als voor de zoveelste keer één van de dansers de aandacht opeist met een lied, act of genante ontboezeming, beginnen de anderen vanaf de zijlijn subtiel te klieren. Nadrukkelijk ongeïnteresseerd vijlen ze hun nagels, kammen hun haar, checken zuchtend hun facebookstatus of geven een sneer naar hun collega’s. Het gaat allemaal volstrekt onnadrukkelijk en vanzelfsprekend, zonder het teveel uit te melken. Pure camp, maar met een enorme theatrale intelligentie.
Met 2,5 uur is de (M)IMOSA wel wat aan de lange kant, en na Bengolea’s totaal overstuurde Kate Bush imitatie is de voorstelling ook vrij abrupt afgelopen. Maar (M)IMOSA trilt nog lang na. Dit is een compromisloze, grillige theaterervaring.
Geniaal of geschift? Ik neig naar het eerste.
Twee jonge vrouwelijke choreografen vervullen belofte met Batsheva Dance Company tijdens Springdance Festival
22 april 2012 | Ruben BrugmanMet twee voorstellingen, ”The Toxic Exotic Disappearance Act” en ”House” laat Batsheva Dance Company indrukwekkende, sublieme dansbeheersing zien en frisse dynamiek. Maar ook onrust, zoeken en verwarring. Het tijdperk van happy, harmonieuze dans is voorbij.
Tijdens een lezing over dans, voorafgaand aan de voorstelling, wordt benadrukt dat hedendaagse dans zich niet compulsief hoeft af te zetten tegen andere dansstromingen. Deze artistieke vrijheid was te zien met de voorstelling ”The Toxic Exotic Disappearance Act” van Yasmeen Godder en ”House” van Sharon Eyal/Gai Behar gedanst door Batsheva Dance Company.
Dit dansgezelschap is ooit opgericht door Barones Bathsheva de Rothschild en de naam bathsheva betekent zoiets als ‘gelofte vervuld’ of ’vrouw van eed’. Als de gelofte toonaangevende dans maken is, dan is die vervuld. Yasmeen Godder heeft haar eigen gezelschap, maar maakte op uitnodiging een productie voor Batsheva Dance Company. Sharon Eyal is daarentegen huischoreograaf bij Bathsheva en start binnenkort met Gai Behar haar eigen gezelschap. Ook zal zij een werk maken voor Nederlands Dans Theater II dat Batsheva als lid van de artistieke familie beschouwt.
The Toxic Exotic Disappearance Act is geïnspireerd op een fotowerk van Viviane Sassen, dat een nieuwe, echtere visie geeft op de Afrikaanse mens. De voorstelling opent plots met een donkere man die staand voor een breed, houten paneel verwonderd het publiek inkijkt. Hij legt meteen de koers vast door met een ijzersterke techniek zijn lichaam te verkennen, wat gevolgd zal worden door vier andere dansers. Hoewel Godder geen eigen danstechniek heeft ontwikkeld, liggen aan haar dans veel technieken aan ten grondslag zoals Gaga (een uitdrukking van vrijheid en plezier) van Ohad Naharin, artistiek directeur van Batsheva.
De voorstelling is lange tijd indrukwekkend door de sublieme dansbeheersing. Bestaan er al danstermen als ‘contractions’ en ‘extensions’, vanwege het steeds verrassend formeren van patronen kan ‘inventions’ hieraan worden toegevoegd. Het concept van jezelf willen tentoonstellen of verschuilen wordt simplistisch duidelijk gemaakt (truitje of plant over het hoofd) of door de ander te gebruiken als afleiding. Minpunt is dat alles op één verbeelde locatie plaatsvindt en variatie ontbreekt.
House is ook gebaseerd op foto’s, in dit geval van families. Vanuit het duister en in rook doemt een danseres op in zwart latex met puriteins, wit boordje. Zij naait als het ware de dansers als materiaal aan elkaar, verklaart choreografe Sharon Eyal achteraf, door tussen delen groepsdans door op te treden. Sharon is zelf deze danseres en verandert haar kostuum gaandeweg. Een repressieve religie (het boordje) legt zij af en ook bij de dansers is de bovenste, klassieke laag af te pellen om een meer ruwe kant te laten zien.
De omschakeling naar de eerste groepsdans is prachtig: 10 plastische dansers onder een gele lamp voeren met staccato ‘isolations’ in een soort tribal dans de spanning op. Ondanks afwezigheid van urban dansstijlen is eenzelfde frisse dynamiek te voelen. ‘Ik doe gewoon wat in mij opkomt qua beweging’, vertelt de choreografe. Zij wordt bijgestaan door componist Ori Lichtik die naast een pompende beat contra-ritmisch voor verrijking zorgt. Andere dansdelen doen aan als werk van Martha Graham, ooit als adviseur aan Bathsheva verbonden.
‘Maximum is minimum’, stelt de choreografe en het gaat haar met name om gevoel via vormen en beweging. Als je een dansvoorstelling als actuele weergave wilt zien van een samenleving dan is die er een van onrust, zoeken en verwarring. Dansers als een groep aliens, een vrouw met baard en man op hoge hakken, sexuele vervreemding: het tijdperk van happy, harmonieuze dans is voorbij.
Ruben Brugman
Traagheid en extreme duur maken van ”Wild Life Take Away Station” van Ibrahim Quraishi een mysterieus stilleven
22 april 2012 | Daniël BertinaBij binnenkomst is Wild Life Take Away Station al vier uur aan de gang. Twee performers – Diego Agulló en Ria Higler, een jonge man en een oude vrouw – slenteren als suffe zombies door de projectstudio van het Centraal Museum. Ze zijn bleek en spiernaakt, op hun rare sloffen en pruiken na. De twee liggen uitgestrekt over de bank, sjokken rond, drinken wat, laten zich vallen of kruipen tegen elkaar aan. Nietszeggende handelingen, uitgevoerd met uitgestreken smoelen. Wild Life Take Away Station is een meditatieve ervaring: je wordt ondergedompeld in een bewegend stilleven. Van uitgewerkte personages of een duidelijk verhaal is nauwelijks sprake, maar het blijft boeien.
“In mijn kunst probeer ik altijd de logica onderuit te halen,” vertelde choreograaf Ibrahim Quraishi mij in een eerder interview. “Als een kunstwerk nutteloos is, zonder duidelijke betekenis, dan krijg je als toeschouwer de vrijheid om het op je eigen manier te ontcijferen.”
Zo wordt alles en iedereen in Wild Life Take Away Station een onderdeel van een schijnbaar willekeurige compositie. Gedurende de performance lijkt het onderscheid tussen spelers, objecten en toeschouwers langzaam te verdwijnen. In een vervreemdende, luide soundscape zijn twee stemmen te horen, soms amper te volgen door rammelende stadsgeluiden, woest kabaal en kraaknoise. Soms in gesprek – ruziënd, vragend of geruststellend – maar vaker verzonken in dromerige monologen over hun onmogelijke liefde.
In de ruimte ruikt het naar gerookte paling, zweet, nat hooi, stoffige veren en smeulende theaterlampen. In het midden staat een grofhouten eettafel, bezaaid met etensresten en halflege borden, een afgebroken brood en glazen rode wijn. Als een klassiek stilleven. Verbouwereerd probeert een handjevol bezoekers zich een weg te banen door het kitcherige huiskamermeubilair, om niet teveel in de weg te lopen. Het maakt weinig uit: de performers kijken dwars door je heen.
De twee personages zien er dieptragisch uit, maar door hun hopeloze uitstraling en rauwe naakte lichamen krijgt alles wat ze doen een geestige ondertoon. De extreme duur en traagheid geven al hun handelingen, hoe klein of banaal dan ook, steeds weer een nieuwe, mysterieuze lading. Dus blijf je kijken. Uiteindelijk grijpt de vrouw haar partner bij zijn slappe lid, hij betast haar bejaarde borsten. Beide met tuinhandschoenen aan. “Auf wiedersehen” – fluisteren ze elkaar toe.
De originele versie van Wild Life Take Away Station stamt uit 2009 en duurde toen maar liefst 24 uur, non-stop. De versie op Springdance blijft beperkt tot (slechts) vijf. Na ongeveer een uur merk ik plotseling dat de soundscape opnieuw start. En realiseer me dat ik elk besef van tijd heb verloren.
Ruben Brugman interviewt Russel Maliphant over the Rodin Project
20 april 2012 | Redactie“I love it when movement moves people”, zegt de Britse choreograaf Russel Maliphant in dit interview na afloop van de voorstelling The Rodin Project. In de Hekmanfoyer van de Utrechtse Stadsschouwburg voelde onze collega van Danspubliek.nl de maker ven the Rodin Project aan de tand over zijn drijfveren.

foto: Laurent Philippe
Interessant is wat Maliphant te zeggen heeft over het eerste deel van zijn dansstuk, dat door sommige kenners als te klassiek en voorspelbaar werd afgewezen. Vanwege het decor, dat de rotsige natuur van veel van Rodins werk weerspiegelt, moesten de dansers erg voorzichtig bewegen. Om de schuine vlakken begaanbaar te houden waren ze voorzien van kussens en matrassen, en dat leidde tot een heel ander soort danstaal.
Het hele interview vindt u hier.
Zelfs verstilde Ivo Dimchev maakt razende indruk met “I-on” tijdens openingsavond Springdance Festival
20 april 2012 | Fransien van der PuttIvo Dimchev is als performer zo snel en wreed in zijn schakelingen tussen botte bravoure, kinderlijke lol, erotische impertinenties en snijdende eenzaamheid, dat je er als toeschouwer normaliter niet meer tussen komt. Zodra Dimchev zijn publiek in de klauwen heeft, kan het hem alleen nog verbijsterd volgen.
“I-on” is opnieuw een ogenschijnlijk losse verzameling acties. Alles speelt zich af rond een houten sokkel, waarop de kunstwerken van de Oostenrijker Franz West verschijnen om even snel weer te verdwijnen in de stroom van associaties van Dimchev. Zijn gebruikelijke zaprace tussen gemoedstoestanden, verraderlijke types en schijnbaar idiote acties wordt in ”I-on” van tegenspel voorzien door de kunstwerken van West. De onzinnigheid van diens handzame sculpturen, wonderlijke dingen zonder functie, appelleert aan Dimchev’s terugkerende commentaar op de onzinnigheid van kunst. Door de eenvoud van de kleine witte vormen van West worden ook de wilde uitbarstingen van Dimchev als entertainer op de proef gesteld.
De ongrijpbaarheid waarop Dimchev voortdurend speculeert – van het kunstwerk, van zichzelf als performer – slaat om in nikserigheid, als een hol vat achter vele façades. Het maakt Dimchev kwetsbaar. Het publiek kan zich bij “I-on” niet zomaar overgeven aan de kick van zijn gekte. In Theater Kikker geniet het publiek dan ook vooral in stilte. Een stilte die zich dan weer laat lezen als de stilte van het museum, of het graf.
Prachtig zijn de momenten waarop Dimchev de spanning zo tergend laat weglopen en hij vervolgens met een enkel gebaar – goedkoop, kitscherig of scabreus – van niets weer iets maakt. Vrolijk stemt het niet, maar met een Tommy Cooper-achtig optimisme weet Ivo Dimchev even makkelijk zin in onzin om te zetten als hij van niets iets kan maken. Zo verwoord lijkt het mager, maar het is fenomenaal.
Dat Dimchev (Bulgarije, 1976) niet alleen een weergaloze performer is, maakt de auteur van een extreem eigen repertoire al duidelijk sinds Lili Handel (2005) en Some Faves (2009). De voorstellingen werden internationaal gelauwerd en leverden Dimchev een eigen publiek op.”I-on” is een recentere solo, die als opmaat diende voor het groepwerk ”X-on”, dat in Something Raw stond. ‘‘I-on” is voorlopig alleen nog vanavond op Springdance te zien. De eerst volgende voorstelling staat pas weer voor januari 2013 gepland, in Gent.
Zie ook:
Opening Springdance verkent de twee uitersten van wat het festival te bieden heeft
20 april 2012 | Wijbrand SchaapVooral de deskundigen waren boos over de officiële openingsvoorstelling van Springdance 2012. ”The Rodin Project” van Russel Maliphant was alleen daarom al bijzonder. Zelden is er zoveel gepraat over een openingsvoorstelling, temeer omdat het ook de laatste openingsvoorstelling is van Springdance.

Het 30-jarige festival van vernieuwende dans en performance houdt op te bestaan. Mede onder druk van de subsidiekortingen van het rechtse en kunstonvriendelijke kabinet Rutte-Wilders ziet het zich gedwongen samen te gaan met het eveneens bedreigde Festival aan de Werf in Utrecht. Een fusie die door iedereen wordt toegejuicht, al is er altijd de angst dat het huwelijk dat zowel uit wederzijdse liefde als uit opportunisme geboren is, geen stand zal houden. De tijden worden immers heel moeilijk voor kwetsbare kunst en de mensen die daar van houden.
Festivaldirectrice Bettina Masuch hield een warme, maar ook strijdvaardige toespraak, die alle hoop geeft dat de moderne dans ook bij het nieuwe Springfestival in goede handen is. De ‘amuse’ van het festival, de voorstelling ”I-On” van Ivo Dimchev, deed de liefhebbers van spannend danstheater watertanden. Dat was anders bij de officiële opening.
Bekijk hier het festivaljournaal.
Maliphant neemt Rodin als rijke inspiratiebron voor dans, maar maakt teleurstellende opening voor laatste Springdance Festival
20 april 2012 | Maarten BaandersHet festival opent teleurstellend met ‘The Rodin Project’. De beeldhouwer Rodin mag dan een uitdagende keuze zijn, helaas beperkt choreograaf Russell Maliphant zich tot het imiteren van sfeer en uiterlijke plaatjes. Rodin werkte vanuit een uitgesproken idee over materie. Hij was op zoek naar hoe vormen en bewegingen zich uit materie losmaken. Met zijn menselijke gestalten en hun gebaren liet hij zien hoe de mens als fysiek én bezield wezen in het leven staat. De gebaren suggereren een beweging die groter is dan het lichaam zelf.
Rodin is een diepe inspiratiebron om zelf gebaren te maken. Die diepgang heeft Maliphant echter niet opgezocht. Hij staart zich blind op de buitenkant. Natuurlijk: de expressieve stenen gestalten zijn prachtig en meeslepend. Maar als je je ertoe beperkt de houdingen en de zwaarte ervan na te bootsen, dan blijft er iets grenzeloos pathetisch over.
Gezwijmel bij spiermassa’s bijvoorbeeld. Die massa’s zie je inderdaad ook in het door Rodin bewerkte marmer. Net als de geheven armen en de smachtend gekromde houdingen van de danseressen. Ze kronkelen in onderwater-tempo in het decor. Ze zweeflopen zacht en lieflijk of met een vervoering waar de onechtheid van afdruipt. Alles verloopt even traag en zonder relativering. Dit moet op den duur wel saai worden.
De enige versnelling vormen acrobatische bewegingen met een vleugje capoeira van de twee mannen. Dit is verpletterend mooi om naar te kijken. De stunts worden adembenemend uitgevoerd. Maar het verband met de rest van de choreografie is onduidelijk.
Er zijn talloze meer of minder letterlijke verwijzingen naar Rodins beelden. De uitgelichte handen herinneren aan de studies die Rodin van dit lichaamsdeel heeft gemaakt. De mannen klauteren al dansend tegen een verticale wand op. Dit doet denken aan Rodins Hellepoort. Maar wat vindt Maliphant van die beeldhouwwerken? Wat maken ze in hem los, behalve dat hij de buitenkant bewondert?
Eerder op de avond voerde choreograaf en performer Ivo Dimchev in Theater Kikker ‘I-on’ uit. Hij werkte hierin met sculpturen van Franz West. Van begin tot eind was dit origineel, creatief en persoonlijk. Dimchev doet iets met die sculpturen. Hij maakt ze tot zijn verhaal. Deze creativiteit is in ‘The Rodin Project’ ver te zoeken.
Rodin is een goudmijn, maar Maliphant heeft het goud niet opgegraven.
‘The Rodin Project’ door Russell Maliphant Company. Gezien 19 april, Stadsschouwburg Utrecht. Aldaar nog te zien: 20 april, 20.30 uur
