Tag-Archief - Cultureel Persbureau
Strauss met spierballen door Gustavo Dudamel, de zinderende Zuid-Amerikaan. #hf12
29 juni 2012 | Mariska van der MeijDe jonge dirigent van Venezolaanse afkomst bracht gisterenavond voor het slotconcert van het Holland Festival zijn Simón Bolívar Symphony Orchestra voor het eerst naar het Concertgebouw. Terwijl Hollanders op de gangen het tropische weer trotseerden, liepen Venezolaanse schonen vief op hun stiletto’s naar het podium. Nadat ook Máxima en Willem-Alexander plaats hadden genomen op het balkon kwam Gustavo Dudamel de trap afgedanst. Verder lezen
Praat mee met onze verslaggevers. Exclusief: plekje in de #hf12-hangout voor onze trouwste volgers
25 juni 2012 | RedactieEr zijn dagen bij geweest dat we 1500 pageviews hadden. Jullie, 2500 van onze trouwste bezoekers, kwamen tot nu toe zorgen voor 14000 kijkjes op dedodo.nl, en jullie bleven gemiddeld drie minuten rondkijken. Gemiddeld. Daar zijn we trots op. Kennelijk wisten we jullie aandacht te trekken en vast te houden. Dat zijn dus goede cijfers voor een online festivaldagkrant als De Dodo, die het moet redden zonder schreeuwlelijks, zonder marketingbudget maar met een overdosis enthousiasme en professionele innovatiedrang. Verder lezen
Shock and awe-ballet in Bill & Mr. B loopt aan alle kanten over van kwaliteit; er is geen stelpen aan
24 juni 2012 | Ruben BrugmanHet Nationale Ballet duikt in de voorstelling Bill & Mr. B thematisch de geschiedenis in met reprises van werk van George Balanchine en William Forsythe. Balanchines Symphony in Three Movements (1972) geldt als voedingsbodem voor Forsythe die vervolgens ‘the extra mile’ ging met Steptext (1985) en The Second Detail (1991). Van protocol naar photocall: dans als een fotosessie. Beweging – klik, beweging – klik. Het loopt aan alle kanten over van kwaliteit; er is geen stelpen aan.
Als er een overeenkomst is tussen het werk van Balanchine en Forsythe dan is het wellicht hun streven naar vrijheid binnen het ballet. Ze stelden ‘balletwetten’ op de proef met een zakelijk Amerikaanse benadering en sloegen gaten in de balletgeschiedenis. Het is nog steeds moeilijk deze choreografen te evenaren. Niet alle gezelschappen kunnen en mogen hun stukken uitvoeren, maar ‘s lands grootste gezelschap steelt er de show mee op het Holland Festival. Ook dankzij de begeleiding van een spannend Holland Symfonia onder leiding van Otto Tausk.
Verbluffend dansprogramma
Waar Balanchine als een soort Erasmus koos voor voorzichtig evolueren, was Forsythe meer een hervormer, zoals Maarten Luther. Hij veranderde het ballet radicaal. Symphony in Three Movements (negen jaar voor Balanchine al gebruikt door Hans van Manen) begint als een schoolvoorstelling, met meisjes op een lijn in witte pakjes met riem. Dit muziekballet is echter geen kinderachtige dans maar een showcase van coupé jetés, double cabrioles en piqués en tournant tegen de menigte in. Met fascinerende pauken en gedreven strijkers is het contrast van de oerklanken van Stravinsky met de abstracte dans treffend. Een lange pas de deux (helder dansende Igone de Jongh) in het lyrische tweede deel wordt gevolgd door een bezwerende einddans. Dit vehikel voor stersolisten sluit af met een stilleven van dansers, als door Fernand Léger samengesteld.
Waar Balanchine het ballet reconstrueerde, manipuleerde Billy Forsythe gewoon het genetisch materiaal. Steptext, een afgeleide van het eerdere Artifact, begint al voor je binnenkomt. Je kijkt naar een repetitie op het toneel: dansers hebben sokken aan, wandelen rond, het licht is nog aan, maar de code is dat we stil zijn en toekijken. Forsythe is tegendraads en speelt met conventies. Vloeken in de balletkathedraal. Op vlammende aanzet van de Chaconne van Bach wordt vinnig gedanst door drie mannen in het zwart en een vrouw in signaalrood. De benen van Anna Tsygankova zijn fenomenaal snel: ze slurpt een partner op als een salamander met zijn tong een insect. Ook Artur Shesterikov danst superb. En er komt nog meer extreme make-over ballet.
Als je Balanchine IBM-ballet zou noemen, is The Second Detail Apple-ballet voor de echte kenners. Op dringende muziek van Thom Willems legt Forsythe met shock and awe-dans (rapid dominance) de lat zeer hoog. Wat is er beter dan als danser je beste technische prestaties te laten zien, maar dan wel op een speelse en ontspannen manier? In ingenieuze groepsformaties treden dansers op met hier en daar gedetailleerde aandacht voor solo’s of duetten. Sasha Mukhamedov komt binnen in een prachtig deregulerende rol zoals dat eerder in Say Bye Bye het geval was met een ‘Jackie Kennedy gone wrong’. De choreograaf moet lekker in zijn vel hebben gezeten want het dansmateriaal is dat zeker voor dansers. Zoals hij in een recent interview (18 juni 2012) zei: het is naturalized en native geworden. The Second Detail wordt beschouwd als het laatste van zijn echte balletten, voor hij een andere weg insloeg.
Deze voorstelling moet je gewoon twee of drie keer zien. Voor info en kaartjes.
2001 is een film die je om de tien jaar weer opnieuw moet zien. Het sf-epos is zelfs opgewassen tegen live orkest
22 juni 2012 | Leo BankersenMaakt live-begeleiding met koor en orkest Kubricks 2001 tot een andere of betere film? Niet perse, maar als hommage en evenement is het een prachtig gebaar. Ook op de harde kuipstoeltjes in de Gashouder is het opnieuw een adembenemende ervaring.
Gisteravond, in de Gashouder op het Amsterdamse Westergasfabriekterrein, eindelijk Kubricks sciencefiction-epos 2001: A Space Odyssey weer eens herzien. Deze keer zoals ik het nog niet eerder had meegemaakt. Met groot orkest (Radio Filharmonisch) en het Groot Omroepkoor, een prachtige HF-aanloop naar het grote Kubrick-programma in EYE. Want als je één film van Kubrick zou moeten bewaren is het deze.
Mengeling van hoge verwachting en vage ongerustheid bij het binnenlopen van de voormalige industriële ruimte. Had het filmbeeld nog niet veel groter gemoeten, net zo breed bijvoorbeeld als koor en orkest hier staan opgesteld? Krijgen we geen last met het schijnsel dat de orkestverlichting op het doek werpt? En heeft het eigenlijk wel zin de muziek live te spelen als het toch precies dezelfde score is die normaal ook bij de film zit?
Wanneer zag ik Space Odyssey voor het laatst? Het zal ongetwijfeld in 2001 zijn geweest, het jaar waarin deze toekomstfantasie ophield toekomstfantasie te zijn en daarmee veranderde in een mythologisch verhaal dat een tijdspanne van vier miljoen jaar in de menselijke evolutie omvat.
2001 is een film die je regelmatig opnieuw moet gaan zien. Niet te vaak en niet te snel achter elkaar, maar met ruime tussenpozen, zodat hij de kans krijgt met je mee te groeien. Mijn eerste kennismaking was begin jaren zeventig, een paar jaar na de première in 1968. Toen viel vooral op hoe Kubrick, geholpen door een keur aan wetenschappers, een zo nauwkeurig mogelijk beeld had willen creëren van ruimtevaart en kunstmatige intelligentie in de naaste toekomst.
Ook konden we ons vergapen aan baanbrekende special-effects met statig zwevende ruimteschepen op de muziek van Strauss. Toch zagen sommige recensenten er aanvankelijk weinig in. Het meest enthousiast (heb ik van horen zeggen) waren jongere filmliefhebbers die zich stevig blowend lieten meeslepen door de psychedelische finale.
Zo’n vijftien jaar later, met inmiddels Star Wars, Close Encounters en E.T. als vergelijkingsmateriaal, zag ik pas goed hoe ongehoord eigenwijs Kubrick te werk was gegaan. Nu doemden vooral de filosofische thema’s en vergezichten op. In vier miljoen jaar blijkt de mens niet wezenlijk veranderd. Achter de trage sciencefiction, met toch onverwacht spannende momenten, schuilt epos waarvan het langzame tempo uitnodigt tot overpeinzing.
Nog weer later begint duidelijk te worden hoe goed 2001 de tand des tijds doorstaat. Misschien juist wel omdat Kubrick de dramatische conventies aan zijn laars lapte en bijna als een componist te werk ging. Hoewel soms koel en afstandelijk genoemd, wat tot op zekere hoogte terecht is, kan 2001 ook ontroering teweegbrengen. Het is de ontroering die ontstaat door schoonheid op onverwachte plaatsen. Het heeft veel te maken met Kubrick’s bijzondere gebruik van muziek, zoals in de befaamde docking scene.
Die symbiotische relatie van Kubrick met de muziek kreeg gisteren natuurlijk door de orkestbegeleiding extra nadruk, ook al veranderde de filmervaring zelf er niet wezenlijk door. In het begin dreigde de lijfelijke aanwezigheid van muzikanten en zangers zelfs voor enige afleiding te zorgen (mijn oog dwaalde in ieder geval steeds even af). Later ontstond een mooie balans. Soms kreeg ik bijna de indruk dat het beeld als het ware oprees uit de muziek. En tijdens de spectaculaire finale had Kubrick als filmmaker weer stevig alle touwtjes in handen. Zelfs op de harde stoeltjes van de Gashouder was het adembenemend.
Leo Bankersen
Extreem fantasierijke Master and Margarita krijgt juichende ontvangst op #HF12
22 juni 2012 | Wijbrand SchaapShakespeare had het, Oscar wilde had het, Monty Python had het en Simon McBurney heeft er vrachtwagens vol van. Het is dus Brits en het heet humor, of liever gezegd: het vermogen om de absurditeit van het leven als tegelijkertijd hilarisch en dieptragisch te laten zien. En laat dat nou ook gelden voor de Rus Michail Boelgakov. Zijn onvoltooide roman De Meester en Margarita heeft nu dus bijna 75 jaar mogen wachten tot een regisseur als Simon McBurney er theater van kon maken. Verder lezen
Wie het nog niet is wordt nu fan van Kubrick. Expositie en alle films in EYE, aftrap op #HF12 met 2001 plus orkest
20 juni 2012 | Leo BankersenHoor Vera Lynn zingen terwijl de atoombommen ontploffen in Dr. Strangelove. Stanley Kubrick deed wonderbaarlijke dingen met de muziek in zijn films. Terecht dat het Holland Festival ruimte maakt voor een speciale vertoning van 2001 met orkest. Ruimteschepen op de walsen van Strauss, opmaat voor een Kubrick-zomer.
Over de films van Stanley Kubrick (1928-1999) is veel geschreven en gespeculeerd, maar zelf deed hij er bij voorkeur het zwijgen toe. Hij leidde een teruggetrokken leven, deed niet mee aan het partycircuit van Hollywood, gaf zeer zelden interviews en weigerde steevast uitleg bij zijn films te geven. De roddelpers leidde daar uit af dat hij een zonderling was, maar wie zijn films gezien heeft weet beter.
Als cineast was hij een eenling die niet bij een bepaalde stroming in te delen viel. Iedere nieuwe film was, ogenschijnlijk, weer volstrekt anders. Alsof hij ieder genre een keer wilde uitproberen en tegelijkertijd opnieuw uitvinden. Veel van zijn films brachten aanvankelijk verwarring teweeg, om later alsnog de status van meesterwerk te krijgen. En wat die thema’s betreft: die waren er natuurlijk wel degelijk. De mens, zijn evolutie en ambitie als aangrijpende tragedie.
Het herboren filmmuseum EYE pakt deze zomer groot uit met een fraaie expositie, die voor een belangrijk deel bestaat uit stukken uit het voormalige privé archief van Kubrick. Daarnaast laat EYE deze zomer al zijn films zien, min één. Kubrick vond zijn debuut Fear and Desire achteraf mislukt en wilde niet dat het ooit nog werd vertoond.
Het Holland Festival verricht donderdagavond de aftrap met een bijzondere vertoning van 2001: A Space Odyssey. Dit sciencefictionepos uit 1968 dat door de jaren heen een mythische status heeft gekregen wordt live begeleid door het Radio Filharmonisch Orkest en het Groot Omroepkoor. Daarover na de voorstelling meer.
De tentoonstelling werd in 2004 samengesteld door het Deutsches Filmmuseum in Frankfurt in samenwerking met Kubricks weduwe Christiane. Het Nederlandse filmmuseum aasde er al lang op maar vond in het nieuwe EYE gebouw pas de ruimte om de expositie recht te doen.
De meeste stukken zijn opgediept uit de talloze koffers en dozen waarmee Kubrick zijn huis langzaam maar zeker volstapelde. “I’ll take care of it”, was volgens zijn weduwe Christiane Kubrick zijn gevleugelde uitdrukking. Maar het kwam er natuurlijk nooit van, want er waren altijd weer nieuwe projecten die zijn volledige aandacht en toewijding vroegen.
We zien Romeinse kostuums uit Spartacus, een model van de atoombom uit Dr. Strangelove, de Milkbar modellen uit A Clockwork Orange, ruimtepakken uit 2001, de schrijfmachine en bijl uit The Shining en uiteraard veel meer. Speciaal voor liefhebbers die een beetje het gevoel willen krijgen bij Kubrick achter de schermen te kijken.
Wie de tijd neemt kan zich verder verdiepen in de vele foto’s en documenten en een catalogus met de inhoud van een omvangrijk studieboek. Mooi is ook dat de tentoonstelling begint met foto’s die Kubrick als jong reporter voor Look maakte. Het laat Kubrick zien als scherp en betrokken observator.
EYE heeft er voor gezorgd dat alles, meer dan in eerdere versies van de tentoonstelling, nadrukkelijk gekoppeld is aan groot geprojecteerde fragmenten uit Kubricks films. Wat ziet dat er nog fris en krachtig uit! Het beste bewijs van Kubricks kunstenaarschap is dat het nauwelijks gedateerd is en dat je onmiddellijk veel zin krijgt om het allemaal opnieuw of eindelijk te gaan zien.
Leo Bankersen
Derde Hangout was weer live. Youtube/googleplus-tv voor de lange avonden. #hf12
19 juni 2012 | Wijbrand SchaapWe zijn weer live. Althans, dat waren we, dinsdagavond 19 juni. We praatten een uurtje na over de voorstellingen, de hoogtepunten en missers van de afgelopen week. Met de nodige technische hickups en een filmmedewerker die wegfloepte, en een dansmedewerker die zichzelf steeds verdubbelde.
Spannend youtubemateriaal, dus.
Bekijk het hier.
De Rode Kimono: een mooi schilderij maar matig muziektheater #HF12
19 juni 2012 | Henri Drost 6Het begint mooi. Prominent op het podium staat het schilderij De Rode Kimono van Breitner. En dan geen kopie, maar the real thing, wat nog maar eens onderstreept wordt door de grote hoeveelheid kisten van het Stedelijk Museum, waarop ook de muzikanten van het Hexagon Ensemble geplaatst zijn. Acteur en danser Michael Schumacher loopt er achteloos naartoe en bekijkt het schilderij ongeveer een minuut – de gemiddelde tijd die een museumbezoeker naar een schilderij kijkt.
Minder is meer? Nee, minder is VEEL TE VEEL, bij Michael Nymans Potemkin. #hf12
18 juni 2012 | Mariska van der MeijTwee dagen later…
Soms weet je niet goed wat te schrijven: ook de recensent heeft wel eens een writer’s block. Gelukkig publiceerde Jenny Diski van London Review of Books net vrijdag een blog over de functionaliteit van het (nog) niet kunnen schrijven. Blijkbaar was er meer tijd nodig. Maar goed, op een gegeven moment moet je de knoop doorhakken.

Michael Nyman Band: Pantserkruiser Potjomkin
Het was gewoonweg TE LUID. Als popmuziekrecensent is het misschien gewoon om oordoppen mee te nemen, maar als klassieke-muziekrecensent niet. Je wilt ten slotte alle details opzuigen. Maar de Michael Nyman Band schalde zo hard door de speakers, dat ik gedeelten van de voorstelling de vingers in de oren heb gepropt. Het donderend geluid overstemde elke gedachte aan de filmmuziek.
Was het zo de bedoeling, of ging de afstemming tijdens de soundcheck niet goed? Wat was erger: het snijdend galmen van de violen? Of het gillen van de blazers? Minimalisme is toch: minder is meer? Maar hier gold: minder is bij Nyman helemaal niet minder, het is VEEL TE VEEL. Geluid, wel te verstaan. Het was snakken naar het einde.
Nyman schrijft geen etherische Minimial Music, zoals Arvo Pärt dat doet. De enige keer dat hij deze stijl wél gebruikte was in zijn scoring van The Piano. Hij werd er wereldberoemd mee. Voor Nyman een zware last om te dragen, want zijn eigenlijke stijl is machinaal, maniakaal of manisch zelfs. Fanfare Minimal, zo zou je het beter kunnen omschrijven.
Met zijn soundtracks van de barokke, licht absurde films van Peter Greenaway werd hij evenzeer geroemd. Maar zijn filmmuziek van Vertovs De man met de camera werd zeer gemengd ontvangen. Waarom werkt Nymans muziek wel bij The Piano en Greenaway, maar niet bij Russisch cinema? (Behalve dat het TE LUID was?).
Nyman heeft wel eens verteld dat hij zijn muziek voor Greenaway, en ook The Piano, schreef zonder dat de filmbeelden al bestonden. Hij had slechts een script, waarmee hij vervolgens kon gaan ‘schilderen’. Breed uitgesponnen – want minimal – en zeer trage verschuivingen in muzikale stemming waren het gevolg.
Maar Russisch cinema van Vertov en Eisenstein is ‘stom’ cinema. Het is aan de componist om de spanningsopbouw heel expliciet te sturen in dergelijke films. Breed uitgesponnen en langzaam verschuivende muzikale ‘emoties’, tja, dat is gewoon te weinig. (Wel te veel: HET GELUID.)
Maar, eerlijk is eerlijk: de trappenscène was geniaal. Toch kan ik niet mezelf ontrekken aan de gedachte: Bach blijft geniaal ook als je die uitvoert op een Melodica in de Parijse metro. De genialiteit van deze scène is te danken aan de genialiteit van Eisenstein, niet Nyman. Wel absoluut heerlijk was die ene seconde stilte die Nyman de luisteraar gunde. Weldadig haast. Voordat het gewelddadige gedender weer losbarstte. Met TE VEEL GELUID - ik kan niet anders dan erover doordrammen.
Het welluidende origineel
Zonder elekrische gitaren klinkt Bryce Dessners orkestmuziek het best; Greenwoods ‘There Will Be Blood’ een hoogtepunt van #HF12
17 juni 2012 | Wijbrand SchaapHet is niet gebruikelijk, maar het moet wel gezegd: Het Amsterdam Symfonietta is een enorm mooi ensemble. De musici zien er stuk voor stuk mooi uit, ze hanteren hun instrumenten mooi en ze spelen mooi. Ze kijken alert, actief. Dat helpt bij het mooi gevonden worden, weten we allemaal, en die actieve blik ligt aan hun formule: ze spelen doorgaans zonder dirigent en moeten dus ongelooflijk gespitst zijn op wat er om hen heen gebeurt. Van duf naar de dirigent kijken word je lelijk. Verder lezen
#hf12: Addio alla fine is weergaloze dans, maar de bootreis heen en terug brengt de boodschap niet sterk genoeg naar voren.
17 juni 2012 | Maarten BaandersWe leven in een destructieve tijd. Natuur, kunst en cultuur, het innerlijk leven: ze gaan kapot onder de tirannie van geld, commercie en efficiency. Emio Greco en Pieter C. Scholten nemen hier stelling tegen. Addio alla fine is een all-in ervaring in de vorm van een bootreis naar een onbekende plaats, waar het publiek wordt ondergedompeld in dans, muziek en beelden. Inspiratiebron is Fellini’s E la nave va. Deze film toont een boot waarop een select gezelschap de as van een operazangeres naar zee brengt en op een onverwachte manier met dood en kwetsbaarheid te maken krijgt.

Addio alla fine is een reis naar het einde, dat tegelijk een begin is. Zo’n reis doet denken aan de nachtelijke boottocht van de Egyptische zonnegod door de onderwereld. Als die tocht volbracht is, kan het leven de volgende ochtend weer een aanvang nemen. Dankzij het besef van einde en vernietiging dat Addio alla fine het publiek wil meegeven, beleeft men op zijn puurst een verlangen naar een nieuw begin.
Dat Greco en Scholten hun voorstelling midden in de actualiteit plaatsen, blijkt nog voor vertrek van de boot. Actievoerders voor het behoud van de neushoorn verwelkomen het publiek. De keuze voor de neushoorn als symbool voor het kwetsbare, weerloze en bescheidene is ijzersterk. Het enige dat zo’n dier heeft is zijn bestaan en zelfs dat is de mens bezig van hem af te pakken. Dat kan. Zoiets fundamenteels en naakts als ‘bestaan’ kan men afpakken.
De voorstelling begint op de loopplank naar de boot. Eigenlijk is de hele voorstelling één lange loopplank, waarover het publiek zich naar de ‘nulpuntservaring’ begeeft. Dit wordt uitgelegd door een spreekstalmeester. Eerder, op de kade, riep deze in een vlammend betoog dat de mens in zijn zoektocht snakt naar betrouwbare leiding, maar deze niet heeft, zeker niet als het om zoiets fundamenteels gaat als deze reis, die men moet maken met het gevoel de laatste mens te zijn. Een soort Ark van Noach is deze boot.
De boot is geblindeerd. Er wordt gedanst op diverse soorten muziek. Als een constante klinken daar telkens de strijkerstonen uit The Unanswered Question van Charles Ives doorheen. Deze muziek heeft niet alleen een titel die prachtig past bij een voorstelling waarin al het vanzelfsprekende wordt afgestroopt, maar sluit ook mooi aan op een ijle, geheimzinnige sfeer, die langzaam groeit en als dunne rookslierten tussen de mensen zweeft.
Een afgelegen loods is de bestemming van de reis. Op een langwerpig podium begint een dans die niet lang genoeg kan duren. Wat een geweldige energie en een fabelachtige overgave stralen deze prachtige dansers uit! De krachtige armgebaren, met afwisselend kleine fladderachtige bewegingen, komen uit het diepst van deze dansende lichamen. De plotselinge verschijning van een doodgewone jongen door een luik heeft een prachtige werking, alsof het leven gezuiverd is.
Na de dans gaat de reis terug. De ramen van de boot zijn niet meer geblindeerd. Wie naar buiten kijkt ziet een bootje met een neushoorn erop. Prachtig is het zoals dat logge dier over de golven gaat en na een poosje in de verte verdwijnt.
Hoe schitterend de dans ook is, de beleving van einde en begin komt toch niet helemaal van de grond. De stemming op de boot is daarvoor niet geconcentreerd genoeg. Het publiek is vaak afgeleid of praat over onderwerpen die ze van huis meenemen. Misschien zijn er te veel mensen. Vooral de terugreis is niet veel meer dan een aangename boottocht. Daarmee is niets mis, maar de beleving van wat Greco en Scholten willen uitdrukken zou veel intenser kunnen. En dat is jammer, want hun statement is belangrijk.
#hf12 Shara Worden speaks about All Things Will Unwind. And sings a new song
16 juni 2012 | Daniël BertinaMulti-instrumentalist and singer-songwriter Shara Worden – also known as My Brightest Diamond – is waiting for me, armed with her ukelele. Just before the interview, she wrote a new song. Worden laughs: “There are way too many videos on the internet of me playing the same songs over and over. I thought I should try something new.”
Foto: © Denny Renshaw
De Dodo was there to hear it for the first time. In a windy corner of Amsterdam. Afterwards, we spoke about her new work, the social engagement in her lyrics, and her attempts to ‘catch’ the muse…
This sunday, Worden will be performing songs from her latest album All Things Will Unwind at the Bimhuis, together with her compatriots Brian Wolfe (drums), Nadia Sirota (viola) and ensemble.
More info on this unique, one-time event here
Passio-Compassio roept op tot filosofische overdenkingen. Een socratische dialoog. #hf12
14 juni 2012 | Mariska van der MeijDodo-recensenten Maarten Baanders en Mariska van der Meij bezochten allebei de voorstelling Passio-Compassio, en raakten in gesprek.
Foto: Michael Kneffel
- uit het programmaboek van Passio-Compassio -
Alle mensen ervaren lijden, ongeacht hun godsdienst of hun culturele achtergrond. Net als liefde resulteert ook lijden in passie. Kunst en godsdienst zijn beiden in staat om de cyclus van lijden en passie te transcenderen. Als dat gebeurt, wordt de pure emotie van de passie getransformeerd tot een universeel bewustzijn waarin we ook de ander waarnemen. Passie wordt Compassie.
Mariska van der Meij:
Maarten, voordat we de zaal betraden zei jij dat we een nogal idealistische voorstelling zouden meemaken, over het verbinden van oost en west. En je wist niet of het zou werken.
Maarten Baanders:
Bach met een oosterse saus eroverheen: ik verwachtte dat ik voortdurend naar het origineel zou verlangen. Ik ben over het algemeen geneigd te vinden dat muziek onaangetast uitgevoerd moet worden. Voorzover dat mogelijk is natuurlijk. Vandaar dat ik een beetje terughoudend de zaal inging.
Fadia El-Hage – zangeres
Mariska van der Meij:
Voor mij werkte het wonderwel. Ik ben geen aanhanger van authenticiteit zoals sommige oude-muziekliefhebbers. Gustav Leonhardt, pionier van de historische uitvoeringspraktijk, zou zich in zijn graf omdraaien bij een bewerking van de passies van J.S. Bach zoals dat gebeurde in Passio-Compassio.
Eigenlijk bevreemdend, want de heer Bach zelf was ook niet bepaald een heilig boontje in het ‘authentiek’ omgaan met notenmateriaal. Hij bewerkte bijvoorbeeld het beroemde Stabat Mater van Pergolesi voor de Duitse tekst van psalm 51. Pergolesi’s Amen sluit in mineur, maar Bach had daar mooi lak aan. Hij componeerde er doodleuk een tweede ‘Amen’ achter. In majeur!
Wat is authentieker: een uitvoering van Bach op historische instrumenten of een hedendaagse uitvoering van een Perzische berwerking van Bach? Zowel Bach als Perzië zijn ver van ons vandaan. De eerste in tijd; de tweede in plaats.
Dan rijst de vraag: wat is authenticiteit eigenlijk? Authenticiteit kan ook worden opgevat in de zin van ‘oprecht’. Een kunstuiting die recht tot het hart spreekt.
Maarten Baanders:
Ik moet toegeven dat ik ook ‘om’ ben. Vooral in de tweede helft vond ik het magistraal klinken en sleepte de muziek me helemaal mee.
Bach kreeg een heel nieuw soort vervoering, zoals de loom makende, zinderende zon in het midden-oosten ook kan maken dat je uit je alledaagse beperkingen getild wordt.
Mariska van der Meij:
Ook ik moest wennen. Niet zozeer aan Bachs Erbarme dich in een vreemd Arabisch jasje, als meer aan de tekst. Verschillen tussen de Arabische en de Europese musici waren intrigerend. De eersten omspeelden hun stem, fluit of snaren op omfloerste manier.
Maar door de teksten raakte ik verward. Ik merkte dat zonder het ritueel van de Mattheus-Passion-als-concert-met-Pasen de teksten veel meer raakten. De betekenis werd ineens ‘echt’. “Ik maak zelf wel uit wat ik van deze Jezus vind”, hoorde ik mezelf denken. Raar. Want daar denk ik nooit meer over na tijdens authentieke uitvoeringen. Dan is tekst een gegeven.
Maarten Baanders:
Inderdaad, de tekst. Het idealisme waar ik het over had ging namelijk ook over de inhoud van de voorstelling. De teksten van heel uiteenlopende herkomst werden gemixt: de woorden van Bachs passiemuziek, Perzische poëzie van de mysticus Rumi en andere religieuze teksten.
Ze trokken voortdurend mijn aandacht en hadden een lading die volledig op de muzikale sfeer aansloot.
Uit die mix van teksten spreekt het idealistische idee dat religieuze ervaringen dichtbij elkaar liggen, of ze nu een christelijke of islamitische of nog andere achtergrond hebben. Religies hebben scherpe kantjes, d.w.z. ze zijn onverdraagzaam tegenover elkaar en die scherpe kantjes worden hier mooi weggenomen.
Mariska van der Meij:
Wát een prachtige samenkomst van de piëtistische teksten van Bachs librettist Picander en de mystieke poëzie van de Perzische Jalal ad-Din Rumi. Beiden benadrukten het persoonlijke, het eigene, van de zoektocht naar geloof en liefde:
Ben je vastbesloten de Vriend na te streven,O hart, beoefen dan het afstand doen:aan het vuur lijf en ziel prijs te gevenBlijft altijd de eerste plicht van de vlinder- Rumi -
Deze voorstelling beoogde misschien een idealistische overbrugging van oost en west, of religieuze verdraagzaamheid. Maar het bereikte bij mij een zeer persoonlijke transcendentie – door middel van de verbinding van oost en west, van oud en nieuw. Is dat cultuurrelativistisch?
Maarten Baanders:
Ik had bij het betreden van de zaal dezelfde aarzeling: leidt religie-relativisme niet tot verlies aan diepte en karakter?
Mariska van der Meij:
Toch is het geen relativisme, denk ik. Het is een hedendaags uitdrukken van mystiek: een persoonlijke band opbouwen met God. Hoe kleverig dat ook klinkt. Daarom geloof ik heilig in het creatief hergebruik van (ook religieuze) kunst. Oren en ogen opnieuw spitsen. Met een frisse blik de schoonheid van het verleden te zien.
Maarten Baanders:
Ik zie het uiteindelijk ook niet als relativisme. Daarvoor was de vervoering te overtuigend aanwezig.
De dansende derwisjen straalden dat ook uit. De manier waarop ze in hun wentelingen opgingen was adembenemd en zeer intens. Hoe in zichzelf gekeerd ieder ook danste, ze gaven het gevoel dat ze over de hele aarde zweefden.
Iván Fischer zet nieuwe Wagner-standaard
13 juni 2012 | Henri DrostDat Pierre Audi niet wegloopt voor religieuze symboliek, is bekend, maar het ware wonder bij Parsifal van De Nederlandse Opera bevindt zich in de bak. Daar zet het Concertgebouworkest in handen van meester-dirigent Iván Fischer een nieuwe Wagner-standaard. Ondanks een gigantische orkestbezetting bijna kamermuziekachtig licht, buitengewoon transparant en door zorgvuldige tempokeuzes met een prachtige dramatische spanning. Vijf uren lang.
Hoe een marsmannetje naar opera kijkt
11 juni 2012 | Henri DrostOf: het vertrouwde wordt hier volkomen vreemd. Of: zinloosheid als het eerste principe omarmen. Honderd jaar na zijn geboorte staat John Cage centraal in HF-weekend.
Sinds Reinbert de Leeuw het speelde in het snelste praatprogramma op de Nederlandse televisie, is John Cage’s 4’33” in ons land een bekende compositie. Exact vier minuten en drieëndertig seconden speelt de muzikant geen enkele noot en hoort de toeschouwer niets anders dan de omgevingsgeluiden.
De verdwenen smoking van Fedja van Huet en andere Toneelgroep Amsterdam-mysteries #HF12
10 juni 2012 | RedactieWie mocht denken dat het maken van een toneelvoorstelling een simpel een-tweetje is van een geniale regisseur met een goed team van creatives en perfecte acteurs, heeft het mis. Alleen, als toeschouwer die eenmaal de voorstelling bezoekt, merkt u daar niets van. En dat is maar goed ook. U komt voor de voorstelling en het zal u worst wezen of het in de keuken slaande ruzie is geweest of niet.
Bij de Macbeth van Toneelgroep Amsterdam zou je je die vragen ook niet moeten stellen, maar we stellen ze toch, en dat komt omdat er reden voor is. Niet alleen het plotselinge nieuws dat sterspelers Fedja van Huet en Barry Atsma plots ‘voor hun gezin kiezen’ dan wel overzees carrière gaan maken, maar vooral het vreemde verloop van de pr-campagne voor deze voorstelling.
Als eerste is daar de dode link van de Macbeth-trailer op youtube. De annalen van google melden dat er wel een trailer is geweest, maar van de Macbeth die op 10 juni in première ging, is geen enkel bewijs terug te vinden op youtube, en dat is zo’n beetje voor het eerst bij Toneelgroep Amsterdam. Doorgaans maken ze hele mooie voorstellingstrailers.
Dit bewijst allemaal dat er tijdens het werken aan deze Macbeth sprake is geweest van een Macbeth 1 en een Macbeth 2. Waaraan ontlenen we dat? Welnu: de pr-foto’s in het persmapje van het Holland Festival. Daarin staat de bekende foto die u in alle media terug zult vinden van hoofdrolspeler Fedja van Huet, met kroontje in een plas bloed, maar we vonden ook een foto van Fedja van Huet in een keurige smoking, omgeven door drie jonge actrices. Foto 1 klopt perfect met de gespeelde voorstelling, maar foto 2 totaal niet. Van zowel die smoking als van die actrices in de huidige voorstelling geen spoor. Die zijn dus geschrapt. Dat kan gebeuren in een vast gezelschap met mensen in loondienst, zonder dat de bladen er lucht van krijgen.
Nog een bewijs van een eerdere versie van Macbeth: het decor. Dat stelt een soort arena voor, met aan de kop een heuse restaurantkeukenachtige opstelling, waarop een pan staat te koken. Gebeurt nu niets mee in de voorstelling, en dat is raar. Toffe dramaturg die dat er nu nog in weet te spindoctoren, maar we zijn eigenlijk wel benieuwd naar het ‘making of’- verhaal. Omdat er dit keer zulke enorme slagen lijken te zijn gemaakt in het proces.
Of dat veldslagen zijn geweest: soit. Leuker is het om eens uitgelegd te krijgen hoe dat eigenlijk gaat, zo’n 180 graden draai in het repetitieproces. De comments staan open.
En dit gebeurde er gisteren op twitter. We delen het graag met u.
Bloedovergoten Macbeth past perfect in festivalthema, maar weet niet te raken #HF12
10 juni 2012 | Wijbrand SchaapStelt u zich Arjan Robben voor. De veelgeplaagde voorman van het Nederlands Elftal heeft zojuist een schitterende actie beloond zien worden met een penalty en hij staat klaar om hem te nemen. Komt er een veldknecht op met een nieuwe set plakletters voor zijn shirt, omdat de cijfers niet meer leesbaar zijn vanaf de tribune. Veel gesjor, shirtje uit, secondenlijm. Toestanden, kortom. Na twee minuutjes is de veldknecht weg, het nummer leesbaar en klinkt het fluitje van de scheids. Probeer dan maar eens raak te schieten. Verder lezen
Popcorn poetst rock-’n-roll weg #hf12
9 juni 2012 | Tom KlaassenPopcorn wil bruggen slaan en grenzen opheffen; weg met de verschillen tussen hoge en lage cultuur. Covers van favoriete nummers van de band worden afgewisseld door nieuwe composities, zodoende moeten grenzen vervagen. Helaas slagen ze hier niet in en klinkt de band overwegend academisch en zielloos.
Popcorn is een experimentele voorstelling waarin een samengestelde band een brug wil slaan tussen popmuziek en nieuwe muziek. De band bestaat uit het Belgische gitaarkwartet Zwerm, het viool-/gitaarduo Mr. Probe, drummer Matthijs Vanderleen en zanger Gregory Frateur. Alle bandleden mochten een favoriet nummer kiezen dat de band tijdens de voorstelling covert. Zo komen onder meer nummers van Jimi Hendrix, Tom Waits en Nick Cave voorbij. De favorieten worden afgewisseld door een zestal nieuwe composities, gecomponeerd door onder meer Bruno Nelissen, Luc Houtkamp en Yannis Kyriakides, en zijn variaties op die favorieten. In het persbericht meldt Popcorn dat op die manier ‘de grenzen tussen hoge en lage cultuur verdwijnen.’ Dat experiment is mislukt.
Popcorn heeft het publiek niet mee. De voorstelling begint met minutenlang rondzingend geluid, dat heel langzaam muziek wordt. Als dat voorbij is, roept een toeschouwer hard ‘Ja, stop maar!’ Tussen de nummers door reageert het publiek ook lauwtjes en wordt er maar mondjesmaat geapplaudisseerd. Het lijkt alsof het niet goed weet wat het met de voorstelling aan moet.
De band speelt zogezegd hun favorieten, maar dan in nieuwe arrangementen van Peter Vermeersch. Die arrangementen verschillen door de bank genomen nog niet eens zo veel van de originelen, met als belangrijk verschil dat ze allemaal even afgemeten en academisch klinken. Hiermee haalt de band het rock-‘n-rollgevoel, dat ze naar eigen zeggen zo’n warm hart toedragen, weg uit de nummers.
De musici beheersen hun instrumenten duidelijk uitstekend, maar er zit geen ziel in de uitvoering. Zodoende wordt een nummer als Nick Cave’s The Mercy Seat bruut beroofd van de kolossale ballen die het origineel bezit. Zo blijft er natuurlijk weinig over. Als de zanger dan eens flink uithaalt, of een gitarist buiten zijn boekje gaat soleren, klinkt dat bijna belachelijk en wordt hij snel teruggefloten door de band.
De nieuwe stukken die tussen de covers door gespeeld worden zouden complementair moeten zijn aan de lievelingsliedjes. Soms lukt dat goed en intrigeert een compositie, maar meestal leidt het vooral af en is het zelfs soms een beetje irritant. De compositie van Bruno Nelissen bijvoorbeeld, bestaand uit bekende regels uit de popmuziek gelardeerd met geluid, is ronduit flauw en gemakkelijk. Het gezin aan het tafeltje naast mij kijkt bedremmeld naar hun drankjes.
Af en toe steken er delen van de voorstelling ineens ver boven het maaiveld uit. Dan is er ineens een mooie zanglijn of een gemeend samenspel, zoals bij de cover van Tom Waits’ Poor Edward, maar tegen die tijd is Popcorn mij allang kwijt. De interessante stukken duren helaas ook nooit lang genoeg om écht te beklijven. Verder is het een afgemeten voorstelling met veel moeilijkdoenerij. Wat dat betreft is de beoogde kruisbestuiving tussen hoge en lage cultuur dus mislukt, want Popcorn is hopeloos elitair.
Enfant terrible Boris Charmatz legt vinger op zere plek met confronterende choreografie over het ongrijpbare kind
9 juni 2012 | Ruben BrugmanMet enfant snijdt choreograaf Boris Charmatz een moeilijk thema aan: hoe gaan we als volwassenen om met onszelf, en hoe gaan we om met kinderen? Charmatz haakt in op de Franse filosoof Lyotard die zich boog over ‘het onmenselijke’ van volwassenen en die in kinderen echte mensen zag. Het huidige beeld over lichamelijk contact met kinderen is verwrongen en het is dat lichaam dat altijd centraal staat in het werk van Charmatz. Met enfant voert hij je mee de berg op voor een uitzicht op een slagveld van relaties tussen volwassenen en kinderen. Je kunt je ogen er niet van afhouden.
Foto: Boris Brussey
Een kabel slingert wat rond en zet een kraan in beweging. Omdat niet te zien is wie dit machinale proces stuurt, doet deze introductie onheilspellend aan. Vooral omdat alles zwart is en doods en er lichamen op de grond liggen. De kraan takelt met een rubberen vleeshaak een eerste slachtoffer de lucht in. Zodra een tweede volgt, ontstaat een lange ‘pas de deux en l’air’. De machine heeft macht gekregen over de mens maar wie heeft macht over kinderen? Dat zal duidelijk worden in een revolutie van beweging en handeling.
Het podium begint te schudden er er ontstaat een paringsritueel van mensen. Daarna wordt het eerste kind binnengedragen. Er volgen meer bleke gezichtjes en weke lichaampjes. Overal zijn mensen op hun eigen manier bezig met kinderen. Omdat de relatie van de volwassenen tot de kinderen niet duidelijk is ontstaan allerlei connotaties. Zodra muziek van Michael Jackson te horen is gaat de voorstelling over het randje: een zweem van kindermisbruik wordt bewust onder je neus gedrongen. Charmatz wil dat je als toeschouwer het thema niet ontloopt.
Centraal moment is het omhoog tillen van het kind in haar kwetsbaarheid en schoonheid als op een schilderij. In een inleiding door Fransien van der Putt werden dan ook een schilder als Jheronimus Bosch of beeldhouwer Pisano erbij gehaald. Allerlei beeldende, massale taferelen dienen zich aan in deze dansvoorstelling. Met een crescendo van geluid en beweging is een Armageddon aanstaande waardoor je naar een ontknoping snakt. Die volgt in de vorm van een utopische overwinning van de kinderen.
Enfant is een fysieke en emotionele uitputtingsslag voor zowel performers als publiek. Het is razend knap hoe massale beweging georkestreerd is: je kunt niet onderscheiden wat er gebeurt. De kwaliteit van beweging bewijst dat er zorgvuldig en menselijk is gewerkt en gewerkt kan worden met kinderen. Zij gedragen zich op hun beurt als volwassenen. Misschien is dat een handreiking voor het gestelde probleem hoe met kinderen om te gaan.
Charmatz heeft zelf twee kleine kinderen waarvan er een mee danst. Met zijn Musée de la Danse besteedt de dansmaker na samengewerkt te hebben met scholen aandacht aan kinderen in het Petit Musée de la Danse. De klassiek opgeleide danser verkent al jarenlang moderne dans en ontwikkelt installaties. Enfant beleefde in 2011 haar premiere in het voormalig pauselijk paleis tijdens het Festival d’Avignon. De voorstelling speelt nog op zaterdag 9 juni 2012. Inlichtingen.
Mahler Chamber Orchestra flirt vrolijk met Haydn, maar Russische componisten doen je het lachen vergaan #hf12
8 juni 2012 | Mariska van der MeijHeus waar. Er wordt gelachen in de klassieke muziek. Bij menig orkestrepetitie zijn de altvioolgrapjes niet van de lucht. En in het Concertgebouw kun je wel eens wat besmuikt gegniffel opvangen. Maar klassieke componisten staan niet bekend om hun humor. Behalve Joseph Haydn.
De Weense componist bracht hier en daar een gezellige kwinkslag aan in zijn werk. Eén van zijn strijkkwartetten, onderdeel van de serie ‘Russische’ kwartetten, draagt zelfs de naam The Joke. Niet dat Haydn refereert aan enig Russisch muziekstuk; hij droeg het werk op aan de Groothertog Paul I van Rusland.
Andersom waren er – een honderd of wat jaren later – wel een aantal Russische componisten die refereerden aan Haydn. Het is deze muziek die het Mahler Chamber Orchestra in één programma samenbracht onder de titel ‘A Russian flirt with Haydn’.

Het concert begint met een lichte amuse, de Klassieke Symfonie van Sergej Prokofjev. Het kamerorkest, 45 musici sterk, klinkt fris en lucide in het Muziekgebouw aan ’t IJ. Vanaf de bok tovert Pablo Heras-Casado verrukkelijke liflafjes tevoorschijn (zelfs de altviolen mogen in het molto vivace eventjes frivool doen). De dirigent bouwt een subtiele orkestklank, maar zijn ritmiek vloeit soms niet echt. Alsof hij staat te zwoegen bij een oude waterpomp.
Vergelijkbaar ‘klassiek’ is de andere symfonie op het programma, de Negende van Dmitri Sjostakovitsj, die hij schreef aan het einde van WOII. Een moment om de overwinning te vieren, de grootsheid van zijn volk, à la Beethovens Negende. Maar hoe anders klinkt het. Luchtig blijkt clownesk, en langzaam bekruipt je het gevoel dat de muziek je treiterig uitlacht. (Stalin riep Sjostakovitsj natuurlijk op het matje.)
Grimmiger is het Eerste Celloconcert van Sjostakovitsj. Er valt niet te ontkomen aan het macabere DSCH-motief dat herhaaldelijk op je inbeukt. De fenomenale Amerikaanse Alisa Weilerstein, dertig lentes oud, klauwt zich als een wilde kat een weg door de noten. Het tweede deel begint ze zacht spinnend, in eenvoud; het derde even onopgesmukt, alleen overvalt hier de desolaatheid. Dan volgt de weergaloze cadenza en het wachten totdat de celliste wederom raaskallend haar snaren doorklieft met een rauwheid die in de verste verten niets te maken heeft met een flirt met Haydn.
Na de pauze is het lachen met Alfred Schnittke. Zijn Moz-Art à la Haydn ontleent materiaal aan de grotendeels verloren partituur van Mozarts Musik zu einer Pantomime. Flarden muziek klinken alsof ze van een notenkladblaadje dwarrelen. Schnittke maakte regieaanduidingen voor de musici zoals Haydn dat deed in zijn symfonie Farewell. Daarin blazen de musici een voor een hun kaars uit en verlaten het podium.
Bij Schnittke loopt het anders. Komen de musici op als vanuit een akelig schimmenrijk? Kinkt die kakofonie niet eigenlijk als Mozarts hel? Het stuk eindigt met twee cellisten en een contrabassist die hun instrument ontstemmen, terwijl Heras-Casado de stilte vergeefs dirigeert.
Soms besterft een lach je op de lippen, je beseft plots dat om je heen niemand lacht. Sterker nog, je ziet slechts grimmigheid. Zo klinkt Russische muziek in de twintigste eeuw. Met deze vier stukken speelde het Mahler Chamber Orchestra gisterenavond Haydn en de muzikale onbezorgdheid het graf in. Tijd voor een Requiem van de ‘klassieke’ klassieke muziek.
Schnittkes Moz-Art à la Haydn op Youtube:
Dodo Holland Festival–journaal wordt Dodo Holland Festival Hangout #HF12
6 juni 2012 | Wijbrand SchaapWe hebben er al een aflevering op zitten, en dat was natuurlijk een enorm succes, maar juist op het hoogtepunt moet je met iets nieuws beginnen. Daarom vanavond om 22:30 uur een nieuw ding: De Dodo Holland Festival Hangout. Live, interactief en online. Innovatief dus, zoals u het van ons kent.

U kent ze wel: die reportagewagens met meters spaghetti aan kabels, imposante schotels en straalkanonnen, tientallen mannen en vrouwen in witte pakken. Volg de kabels en binnen ziet u tientallen lampen, mannen en vrouwen in zwarte pakken en zwaar geïntimideerde gasten en toeschouwers. Dan weet u: hier wordt een live-uitzending gemaakt.
Wij dachten: dat moet anders kunnen. Niet alleen omdat we geen tonnen van uw belastinggeld kunnen besteden aan de inderdaad perfecte beeld- en geluidskwaliteit van de publieke omroep, maar vooral ook omdat we het leuk vinden om iets raars te proberen.
Vandaar die Hangout.
Een term alleen gebruikers van het nogal obscure sociale netwerk Google Plus zullen herkennen. In een Hangout kun je met 9 anderen gezellig videochatten. Leuk, maar niet geschikt voor onze doelen. Wij willen immers uitzenden. Om het eggie.
Dat kan dus vanaf nu. Je kunt de Hangout volgen via Google Plus, en met een beetje mazzel zelfs meepraten met onze medewerkers en andere belangstellenden, maar je kunt er ook naar kijken alsof het een uitzending van Pauw&Witteman betreft: op youtube.
Vanavond om 22:30 precies hopen we Daniël Bertina vers van de voorstelling achter zijn laptop aan te treffen, en vragen we ondertussen aan onze recensent Tom Klaassen wat hij nou echt van Antony en het Metropole orkest vond. En u kunt natuurlijk vragen stellen. Hoe, dat gaat zich als het goed is vanzelf uitvinden.
Check voorlopig in ieder geval onze twitter- en facebookpagina’s voor meer details en bookmark de hangout-pagina van Google Plus, en ons Youtubekanaal voor updates. En word vriend van ons profiel.
Micha Hamels Requiem is prachtig ruimtelijk, maar mist inhoudelijke urgentie #hf12
6 juni 2012 | Thea DerksIn zijn Requiem voor tenor, verteller en ensemble benut Micha Hamel de ruimte van de Amsterdamse kerk De Duif optimaal. Musici spelen op het altaar, vanaf de balkons, mengen zich tussen het publiek en schuiven een piano naar buiten. – Maar wat wil Hamel eigenlijk zeggen?
Foto: Liesbeth Dingemans
Voor een uitverkocht huis ging gisteravond het Requiem van Micha Hamel in première. Hij componeerde dit bijna twee uur durende werk in opdracht van het Holland Festival en sneed het toe op de prachtige, eenbeukige ruimte van De Duif. Deze oecumenische kerk aan de Prinsengracht in Amsterdam vormt met zijn troonachtige altaar, hoge balkons en aangevreten fresco’s het ideale decor voor bespiegelingen over de dood.
Terwijl de laatste bezoekers een plaatsje zoeken op de geïmproviseerde tribunes, waaien vanachter het altaar flarden muziek naar binnen. – Is het stuk al begonnen, of zijn de musici nog aan het stemmen? Ondertussen verplaatsten haastige schimmen zich achter glazen deuren, als wezens in het dodenrijk. Dan komen van alle kanten musici op, gestoken in ceremonieel zwart, maar op blote voeten. Sommigen stellen zich op ter weerszijden van het publiek, anderen beklimmen het podium.
Zo creëert Hamel een verwachtingsvolle spanning, die wordt doorbroken als een uiterst rechts geplaatste saxofoon een uitgesponnen dalende kleine terts aanheft. Dit klaaglijke interval is in bijna alle culturen een oerkreet – van verlangen, liefde, maar ook van angst, en loopt als een rode draad door de voorstelling. Plots antwoordt links op het altaar een fagot, die traag uitwaaierende lijnen weeft door het discours van de saxofoon. De archaïsche melodieën hebben een grote ruimtelijkheid, die mooi aansluit bij de weelderige akoestiek.
Acteur Porgy Franssen fungeert als ceremoniemeester en vraagt: ‘Is er een dode in de zaal?’ Hij slaat op een gong en meldt dat wij ons gaan begeven ‘naar de andere zijde’, waarna ook fluit en harp zich voorzichtig roeren. De verstilde sfeer wordt aan flarden gescheurd met wilde pianoakkoorden, waartegen de tenor Marcel Beekman bij wijze van Introitus een tekst van Gertrude Stein declameert: ‘What is the answer? In that case: what is the question?’
Het patroon is gezet. In vierentwintig liederen op ‘famous last words’ wisselen new age, moderne dissonantie, Britse volkswijsjes, Weense walsjes, cabaretmuziek, Mahleriaanse marsen en minimalistisch grommende orgelklanken elkaar af. De musici verplaatsen zich door de kerk en schuiven de piano steeds verder naar de uitgang, uit ons zicht. Petje af voor hun perfecte, goed op elkaar afgestemde spel, dat zij vaak uit het hoofd te berde brengen. Jammer dat Marcel Beekman zo vlak en emotieloos zingt, nog onverstaanbaar ook.
Hamel schrijft mooie partijen en laat subtiel instrumenten met elkaar vervloeien, maar wat hij wil zeggen blijft ongewis. Zelf betoogt hij de westerse muziekcultuur ten grave te dragen, maar de teksten die hij Franssen in de mond legt missen urgentie en zijn vaak banaal: ‘Sommige mensen laten zich na hun dood invriezen. Maar het is de vraag of wij hen in ontdooide toestand willen zien.’ Het Requiem is bovendien te breedsprakig en valt te veel in herhaling om te blijven boeien. Hamel droeg het op aan zichzelf. – Hopelijk blijkt dit niet profetisch.
Met Antony Hegarty en het Metropole orkest in een sprookjesbos #hf12
6 juni 2012 | Tom KlaassenAntony Hegarty geeft met zijn pianist en het Metropole Orkest de gelaagde en emotioneel geladen show Cut the World weg. Hij laat zien dat het geen punt hoeft te zijn om meer van hetzelfde te presenteren. Het publiek waant zich ondertussen in het sprookjesbos en eet uit zijn hand.
- Foto: Clive Osborne
Het is niet de eerste keer dat de androgyne kindman Antony op het Holland Festival staat. In 2009 gaf hij al een gedenkwaardig concert in Carré, ook met het Metropole Orkest, dat in een mum van tijd was uitverkocht. Na wat opgeruimde mededelingen komt Hegarty onder luid gejuich op. Gekleed in een beige gewaad en zwart tuniek lijkt hij weggelopen uit een negentiende eeuwse gothic novel.
Het emotioneel gedragen stemgeluid en de presentatie van de zanger zijn niets nieuws voor het publiek, maar Hegarty laat zien dat dat geen probleem is. Meer van hetzelfde is in zijn geval niet erg. Hij is zeer goed bij stem, heeft een groot bereik, en zijn timing is perfect. Antony en het Metropole orkest schieten van Johnsons-klassiekers via soms wat geintjes naar nieuw werk.
Na een tintelende cover van Beyonce’s Crazy in Love, waarbij het felgroene laserlicht het toneel in een Efteling-attractie verandert, neemt hij plaats achter de piano. De sprookjesachtige sfeer blijft, en de vrouw met hippe bril achter mij snikt luid. Dat die sfeer zo goed werkt, is overigens ook voor een groot deel de verdienste van het orkest, dat goed op Hegarty ingespeeld is.
Antony maakt een paar keer een valse start of vergeet een stukje tekst. Dat is charmant, omdat hij dan van de gelegenheid gebruik maakt een babbeltje met het publiek te maken. Hij moppert over bezuinigingen, vraagt of er nog wat interessants in de Amsterdamse gemeenteraad is gebeurd en deelt uitvoerig mee dat hij heeft gehoord dat koning Elizabeth van paarden houdt.
De intermezzo’s duren soms vrij lang. Vooral zijn verhaal over paarden, dat ontspoort in een Freestyle zang over paarden die van koninginnen houden en andersom. Het maakt allemaal niks uit, de mensen eten uit zijn hand.
Logischerwijs lijken de bekende nummers als Hope there’s someone de meeste handen op elkaar te krijgen. Maar Hegarty oogst ook veel bijval met een nummer uit The Life and Death of Marina Abramović , een voorstelling die ook te zien is op het Holland Festival en waarvoor hij een aantal nummers schreef. Het lied is nog zwaarder georkestreerd dan de rest, heeft nog meer emotionele lading en komt erg goed over.
Als het tijd is voor het slotapplaus veert het publiek vrijwel meteen als één man op. Antony en de zijnen moeten tot drie keer terugkomen voor een buiging. En terecht, het was een ontroerend optreden.
Holland Festival-journaal #HF12: Spektakel en ontroering hand in hand in openingsweekend
4 juni 2012 | RedactieClaron Macfadden deed het in haar eentje, Alain Platel met 150 mensen en Andrea Breth in 54 scenes: raken. En een boodschap overbrengen.

Dodo-reporters Mariska van der Meij, Daniël Bertina en Wijbrand Schaap blikken terug op het eerste weekend van het Holland Ferstival 2012, en recensent Maarten Baanders kijkt vooruit naar de bijzondere voorstelling van Emio Greco/PC. Soort van live vanuit Stanislavski, het restaurant van de Amsterdamse Stadsschouwburg.
Zwischenfälle is een adembenemend spervuur van 54 hilarische, korte scènes over de klungelende mens. Zo virtuoos zie je het zelden #hf12
3 juni 2012 | Daniël BertinaTwee mannen zitten samen aan tafel en eten spaghetti. De één werkt het bord pasta in no time naar binnen, en vertelt tegelijkertijd met volle mond een amusante anekdote – nét niet verstaanbaar – met woeste gebaren en zelfingenomen gebrom. De ander, een bejaarde vent, wordt totaal genegeerd. Ondanks verwoede pogingen slaagt de arme man er maar niet in om met zijn hevig trillende hand ook maar één sliert spaghetti in z’n mond te krijgen. Uitgehongerd begraaft hij zijn kop in de pasta, neemt een grote hap, stikt en sterft. De ander heeft niets in de gaten en lult onverstoorbaar verder. Dit is Zwischenfälle.
De Duitse regisseur Andrea Breth selecteerde 54 korte scènes uit het absurdistische oeuvre van de Russische modernist Daniil Charms, en de kluchten van de Franse toneelschrijvers Georges Courteline en Pierre Henri Cami. Deze scènes knoopte ze aan elkaar in een strakke regie met inventieve vormgeving, afgewisseld met bitterzoete Duitse liefdesliedjes. Maar in het virtuoze spel; dáár gebeurt het…
In Zwischenfälle krijgen de tien acteurs – zes mannen en vier vrouwen, gekleed in non-descripte maatpakken – alle ruimte om een enorm spectrum aan theatrale vaardigheden te laten zien. De scènes variëren in lengte van een paar seconden tot een paar minuten. Dat geeft de voorstelling een enorme vaart. Naast verbale krachtpatserij, waarbij de spelers op duizelingwekkende snelheid elkaar de huid vol schelden of met perfecte timing onzingesprekken en tirades voeren, bestaat Zwischenfälle voor een groot deel uit vervreemdende mime en dans. Die disciplines worden door de acteurs nét zo goed beheerst als het gründliche grote zaal-acteerwerk. En dat is ongelooflijk knap.
Zo komen in Zwischenfälle een aantal dansscènes voorbij die strikt genomen helemaal voldoen aan de techniek en conventies van de hedendaagse dans – maar alle bewegingen zijn nét iets pathetischer, iets meer uitvergroot of op een ander manier in het belachelijke getrokken. Zoals in Ballet van de drie onafscheidelijken: een scène waarin drie acteurs idioot dicht op elkaar dansen. Die afwisseling zorgt ervoor dat de voorstelling (3,5 uur, inclusief pauze) echt voorbij vliegt.
Qua stijl doet Zwischenfälle sterk denken aan het werk van de Zweedse cineast Roy Andersson – van de films Songs From The Second Floor en You, The Living. Vooral naar die laatste film lijkt Breth in een scène direct te verwijzen, wanneer ze een van haar actrices een pluche hond over het podium laat sleuren.
De voorstelling is een lofzang op de mens, die zich al klungelend een weg moet zien te banen door de absurditeit van het bestaan. Een jongen, gewapend met een bos bloemen, probeert krampachtig een aria voor zijn geliefde in te studeren; een groep mensen beklaagt zich om één van hen, die om onduidelijke reden voor pampus ligt en weigert nog overeind te komen; een eenzame grijsaard is verliefd op de stem van de radiopresentatrice en zoent zijn radio; een bruid belt haar ouders voor instructies tijdens de huwelijksnacht. Het zijn aandoenlijke stumpers, in onbeduidende tussenmomentjes die ze liever zouden vergeten.
Maar zij worden gezien, lijkt Breth te zeggen. Zij blijven niet onopgemerkt.
De Dodo gaat zich een slag in de rondte werken om u alles te vertellen over het Holland Festival 2012 #hf12
1 juni 2012 | RedactieToptheater uit alle hoeken van de wereld, grote namen waarop we nooit meer hadden durven hopen, en een journaal dat we op onverwachte tijden gaan uitzenden. Festivaldagkrant De Dodo, inmiddels een begrip in festivalland, gaat dit jaar helemaal los op het Holland Festival.
Natuurlijk. Het is de droom van iedere blogger, professioneel of amateur, om bij de voorstellingen van het Holland Festival te mogen zijn. Voor ons team is dat niet anders. Maar we willen meer. Immers: het traditionele voorstellinkje zien, stukje schrijven en daarna jezelf recensent noemen: het voelt wat belegen. Daarom proberen we steeds weer nieuwe methoden uit, nieuwe manieren om u iets te vertellen over waarom deze of gene kunstenaar, of die-en-die vorostelling ertoe doet, of juist gemeden moet worden, of waarom u het gewoon helemaal zelf uit moet zoeken.
Een belangrijk doel van de coöperatie die het cultureel persbureau sinds kort is, bestaat uit het innoveren van de kunstjournalistiek. Daar hebben we u dus bij nodig. Om ons te laten weten of we het een beetje leuk doen, of dat we er niets van bakken.
We vragen u daarom of u ons even hinderlijk wilt volgen als wij het het Holland Festival volgen. Bekijk onze Stanislavski-journaals, die semi-live worden geproduceerd voor vers van de lever-nieuws en reacties over het meest prestigieuze festival van Nederland.
Volg het op dedodo.nl, via onze twitter, en op onze facebookpagina, abonneer je op ons youtube-kanaal en check zo nu en dan pinterest voor mooie beelden.
En reageer.
‘Ik ben totaal van mening veranderd over Verdi en Wagner’: Holland Festival opent met C(h)œurs van Alain Platel #hf12
30 mei 2012 | Margriet PrinssenEen ouderwets schandaal was het: woedend premièrepubliek dat zich op alle fronten geschoffeerd voelde. Een operavoorstelling met dansers – en wat voor dansers: grillige, extreme bewegingen, zonder solisten en zonder noemenswaardig verhaal, waarin zelfs ook nog een aantal van hun geliefde koorleden uit de kleren gingen. Het was voor het tamelijk traditionele Madrileense operapubliek ‘far too much’.
De première van C(h)œurs, de nieuwe voorstelling van de Gentse regisseur en choreograaf Alain Platel, in het Teatro Real in Madrid, heeft dus nodige stof doen opwaaien. Mensen liepen weg en er werd gefloten en geschreeuwd. Dat zal bij de de Nederlandse première op 1 juni in Koninklijk Theater Carré niet gebeuren.

Platel is immers een graag geziene gast op het Holland Festival; twee jaar geleden was Pitié!, een bewerking van de Matteüs Passie van Bach, een van de hoogtepunten. Platel wordt gekoesterd als een van de grote theatervernieuwers. Zijn voorstellingen Iets op Bach en het op Monteverdi gebaseerde Vsprs werden wereldhits. Hij raapt theater van de straat, haalt heilige huisjes omver en paart een groot gevoel voor drama aan een prettig Vlaams gevoel voor humor. In zijn voorstellingen weet hij de adem van de tijd te vangen in een nonchalante mix van hoge en lage cultuur: dans, (pop-)muziek en volkstoneel.
De titel is een samentrekking van het Franse woord voor koor (choeur) en hart (coeur). Het is dan ook een voorstelling over hoe de beroemde operakoren van Verdi en Wagner mensen in hun hart kunnen raken. C(h)œurs is tot stand gekomen op initiatief van Gerard Mortier, sinds 2010 intendant van Teatro Real in Madrid. Hij werd aangesteld met als opdracht om het tamelijk stoffige operahuis tot een van de grote, vooruitstrevende Europese operatheaters te maken. Grootheden als Johan Simons, Christoph Marthaler, Tcherniakov, Robert Carsen en Michael Haneke gaan er het komende seizoen regisseren. Platel, met wie hij eerder had samengewerkt, daagde hij uit om ‘iets’ te gaan doen met de muziek van Verdi en Wagner en dan in het bijzonder met de koorzang van beide componisten. Mortier vroeg hem de muziek zo te brengen dat die een breder publiek dan de specifieke operaliefhebbers zou kunnen raken en om te laten zien dat Verdi en Wagner nog altijd actueel zijn.
Platel nam de opdracht met gemengde gevoelens aan:
“Ik moet bekennen dat ik aanvankelijk niet zo enthousiast was. Verdi was voor mij zo’n beetje het ultieme operacliché: gillende sopranen en sterk uitgemeten emoties. Maar nu Mortier me had gevraagd, moest ik wel gaan luisteren en kwam ik als vanzelf ook bij Wagner terecht. Niet omdat ze op elkaar lijken, integendeel, maar ze hebben wel allebei een sterke invloed gehad op de muzikale ontwikkeling. Vooral de koorzang is zo groots, zo veelomvattend. Ik heb me helemaal ondergedompeld in hun muziek en ik ben totaal van mening veranderd. Mijn aanvankelijke huiver is omgeslagen naar het tegenovergestelde: grote bewondering.”
Hij is begonnen te repeteren in thuishaven Gent, met vrijwilligers die het koor vormden en de tien dansers van zijn eigen gezelschap les ballets C de la B. Pas in de laatste fase voor de première was er tijd om met het koor en orkest van het Teatro Real in Madrid aan de slag te gaan. In het begin vormde het koor als vanzelf de massa en zijn dansers bewogen daar doorheen, als onafhankelijke personages met soms grillige bewegingen. Gaandeweg treden in de voorstelling steeds meer koorleden als individu naar voren. In een van de meest aangrijpende scènes zeggen ze een voor een hun naam.
“Dat werkt heel sterk maar het was een heel proces om hen zover te krijgen. Ze vonden het verschrikkelijk eng om uit de groep te stappen. Nu doen ze het met trots en fierheid.”
Een tweede uitgangspunt was De welwillenden van Jonathan Littell, waarin de Tweede Wereldoorlog wordt beschreven vanuit de optiek van een SS-officier. Platel vertelt dat hij na het lezen een week heeft moeten bijkomen, zo aangrijpend en naargeestig is het boek. De welwillenden sluit nauw aan bij waar hij het in deze voorstelling vooral over wilde hebben: de tegenstelling tussen massa en individu. In wezen is C(h)œurs een onderzoek naar hoe “gevaarlijk schoon” een groep kan zijn.
Als vanzelf raakte de voorstelling ook aan de actualiteit door de massale opkomst van hedendaagse protestbewegingen: van Occupy tot de Arabische lente. Platel wilde zeker geen politieke voorstelling maken; hij houdt niet van vormingstheater of pamflettisme. Tegen het slot van de voorstelling klinkt een tekst van Marguerite Duras over de ondergang van de wereld, ‘la perte du monde’, die zijn ambivalente gevoelens goed weergeeft. Zo’n fatalistische kijk op de wereld geeft hem juist een extra motivatie om iets heel bijzonders van het leven te willen maken:
“Maak er wat moois van! Doe iets met je leven!”.
Te zien in Amsterdam, Koninklijk Theater Carré, 1 t/m 4 juni/ Meer informatie: www.hollandfestival.nl of www.lesballetscdelab.be
Onvergetelijk mooie toneelversie van Man zonder Eigenschappen krijgt onverdiend toetje van Yves Petry #hf12
28 mei 2012 | Wijbrand SchaapMisschien is het ook gewoon een verkeerde keuze om deel drie direct na afloop van de eerste twee delen te zien. Misschien dat je na een dagje je of wat bezinken de tekst van Petry wél kunt waarderen, op zijn eigen merites.

Stelt u zich een driesterrendiner voor. Een zinnenstrelende aaneenschakeling van kleine en middelgrote gerechten, bereid met de grootst mogelijke zorg door een gereputeerde topkok, op basis van een nog altijd legendarische receptuur en uitgeserveerd door de beste obers ter wereld. En dat iedereen zo druk bezig was met de moleculaire schuimpjes en stikstofbereidingen, dat men de net aangestelde souschef even met het toetje alleen gelaten heeft.
En dat dat dus niet verstandig was.
Zoiets overkwam mij dus bij de première van de volledige trilogie van Man Zonder Eigenschappen, zaterdag 26 mei 2012 in Brussel. Na tussen 2 uur ‘s middags en 10 uur ‘s avonds ondergedompeld te zijn geweest in het hoogst haalbare dat de moderne theaterkunst te bieden heeft, waren de laatste anderhalf uur een deceptie. En dat ligt niet aan de spelers Johan Leysen en Liesa van der Aa, en ook niet aan het complete team vormgevers en techneuten dat onder leiding van Guy Cassiers zijn stinkende best doet om het er prachtig uit te laten zien. Het is volledig op het conto te schrijven van de veelbekroonde Vlaamse auteur Yves Petry die een stuk oppervlakkig, pretentieus en lelijk proza meende te moeten toevoegen aan de tot dan toe zinderende en zinsbegoochelende woorden- en beeldenstroom van Robert Musil.
De Man Zonder Eigenschappen is een onvoltooid werk van de in 1942 overleden Oostenrijkse schrijver Robert Musil. Hij geeft hierin een uiterst gedetailleerd, maar ook vlijmscherp beeld van het verval van de Oostenrijk-Hongaarse dubbelmonarchie, die in 1867 ontstond en door velen wordt gezien als de bètaversie van wat we nu kennen als de Europese Unie. Het is die gelijkenis die de eerste twee delen van de theatermarathon zo angstwekkend mooi maakt.
Het stuk voert ons naar de jaren 1913 en 1914, waarin het rijk zich voorbereidt op de viering van het gouden jubileum in 1917. Niemand lijkt zich bewust van de wereldoorlog die op uitbarsten staat. Men houdt zich liever bezig met een mysterieuze diarree-epidemie onder de paarden en maakt zich zorgen om de opkomst van populisten die een verenigd Midden-Europa niet zien zitten. Eigenlijk zit je te kijken naar de concurrentiestrijd tussen de regio’s die in Nederland om de titel Culturele Hoofdstad van Europa 2018 strijden, je ondertussen ergerend aan het Eurovisie Songfestival, terwijl de PVV de cultuur afschaft en rond de Middellandse Zee de ene na de andere staat bankroet gaat.
Wacht ons niet hetzelfde lot als die kibbelende Europeanen, precies honderd jaar geleden?
Het is deze niet-dwingend opgelegde analogie die het werk van regisseur Guy Cassiers zo prachtig en betekenisvol maken. Zijn bewerking – uit het begin van deze eeuw – van Prousts ‘Op zoek naar de verloren tijd’ was daarom ook zo onvergetelijk. Zelfs als nu in deel twee van de Musil-trilogie het accent van de vertelling verschuift naar het persoonlijke leven van de ik-figuur, de Man Zonder Eigenschappen die dankzij die eigenschapsloosheid steeds meer een messias, dan wel Nespresso-held wordt, blijft het universele karakter van de avond onmiskenbaar aanwezig. Het wordt zelfs sterker, omdat je de personages vanuit de zaal zou willen toeroepen om vooral even achter zich te kijken, waar de Grote Boze Oorlog dreigt.
Mogen de eerste twee delen volgens het programma dus een trechter zijn van het universele naar het persoonlijke, dan is het tuitje van die trechter, in deel drie, de klismatische anticlimax waarover ze als maker onmogelijk tevreden kunnen zijn. Petry legt al het universele van Musils onvoltooide meesterwerk terzijde en laat ons meemaken hoe Johan Leysen, alias Musil, alias de gestoorde moordenaar uit de roman, een rondje evalueren en nababbelen doet met Liesa van der Aa, die staat voor zowel het slachtoffer van die moordenaar als voor een jeugdliefde van Musil die door hem met een geslachtsziekte werd besmet en daaraan overleden is. Dit alles voorzien van prachtig vervreemdende vioolklanken van Van der Aa en een minder gelukte playback-act van meesterverteller Leysen.
Dat die hele marathon tot deze dialoog moet leiden is een teleurstelling. De praktische taal van Petry, die best een boel bekroonde romans op zijn naam heeft staan, komt na de 8 uur klankrijkdom van Musil rauw op je dak. Wat is het commentaar dat Petry hiermee levert nu precies? Dat ook de schrijver van een universeel meesterwerk maar een mens is? Dat moordverhalen goed verkopen? Het zou allemaal kunnen, maar wat er bovenuit stijgt is dat Petry zich hier op geen enkele manier kan meten met Musil, en dat zelfs de beste regisseurs, vormgevers en performers daaraan niets kunnen veranderen.
Maar misschien is het ook gewoon een verkeerde keuze om deel drie direct na afloop van de eerste twee delen te zien. Misschien dat je na een dagje je of wat bezinken de tekst van Petry wél kunt waarderen, op zijn eigen merites.
Ik ben wel benieuwd. Laat me weten of u het stuk los beter weet te waarderen dan ik, die het zag terwijl het aan de trilogie vast zit. U kunt het in het Holland Festival gaan testen.














