Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image

Cultureel Persbureau | 18 May 2013

Scroll to top

Top

Tag-Archief - Cultureel Persbureau

#HF11: We praten na met Jeroen Stout, Daniël Bertina, Fransien vd Putt en Wijbrand Schaap.

25 juni 2011 |

 

Foto: Pierre Nydegger

Ter afronding. Het Holland Festival van 2011 zou wel eens historisch kunnen worden. Niet alleen was het het festival dat het meeste publiek trok sinds jaren, het was ook het festival dat plaatsvond terwijl een minderheidsregering van populisten, nationalisten en materialisten het einde afkondigde van de kunstsubsidies. We blikken daarom terug op een festival waarin we met onze nieuwe festivaldagkrant getuige waren van een feestelijk gebeuren vol uitersten in kunst en waardering, maar waarin ook een constante doem aanwezig was, gestuurd door een laconiek lachende staatssecretaris en premier. Waarvan we ook beelden hadden.
In het nu rustige Muziekgebouw aan’t IJ blikken Dodo-gezichten Daniël Bertina, Jeroen Stout, Fransien vd Putt en Wijbrand Schaap terug op een heftige junimaand 2011.

En Annet Lekkerkerker is benieuwd naar de cijfers. En de toekomst. Die aan de einder ligt.

En 86K bezoekers. best goeie score. We quoten het persbericht:

Het Holland Festival sluit vanavond de 64ste editie af met een eenmalig concert van de Libanese zangeres Fairouz. In 26 dagen tijd toonde het festival meer dan 150 voorstellingen en concerten en trok ruim 86.000 bezoekers.

De ambitie van het Holland Festival om een breder publiek te trekken, zonder concessies te doen aan de missie van het Holland Festival: het nastreven van de hoogste artistieke kwaliteit, is geslaagd. Het bezoekersaantal steeg met ruim 23% ten opzichte van de editie 2010. Vooral de Broadwaymusical Fela!, de dansvoorstelling Nya, de concerten van The National en van Fairouz trokken een breed en gevarieerd publiek.

Publieksfavorieten in dit festival waren de locatietheatervoorstelling Before I Sleep van de Engelse theatermaker Tristan Sharps, de Broadwaymusical Fela! in regie van Bill T. Jones, het muziektheaterstuk Une flûte Enchantée in regie van Peter Brook, Un Tramway met de Franse actrice Isabelle Huppert, De Russen van Toneelgroep Amsterdam, de jonge dansklassieker The Show must go on van Jérôme Bel en de opera’s Dionysos en Jevgeni Onjegin. Het slotconcert van Fairouz wordt bezocht door liefhebbers van over de hele wereld.

Het Holland Festival vond plaats op 14 locaties in Amsterdam waaronder: Muziekgebouw aan ’t IJ, de Stadsschouwburg, Koninklijk Theater Carré, Het Muziektheater, Frascati, de Westergasfabriek, en het FOZ gebouw aan de Amsterdamse Zuidas.

Er werd gecoproduceerd dan wel samengewerkt met verschillende Nederlandse en internationale instellingen, zoals Barbican, Odéon-Théâtre de l’Europe, MAU, Socìetas Raffaello Sanzio, Salzburger Festspiele, De Nederlandse Opera, Asko|Schönberg, Amsterdam Sinfoniëtta, Radio Filharmonisch Orkest, Groot Omroepkoor, Slagwerk Den Haag, Koninklijk Concertgebouworkest, Toneelgroep Amsterdam, Frascati en Stedelijk Museum Amsterdam.

Een festival van deze omvang en variëteit zal met de voorgenomen bezuinigingen in de komende jaren waarschijnlijk niet meer te realiseren zijn. De bezuinigingen treffen niet alleen het Holland Festival maar ook andere Nederlandse culturele instellingen, waardoor bijzondere en succesvolle (co)producties en samenwerkingen niet of lastiger tot stand kunnen komen.

Honderden kunstenaars, acteurs, dansers, musici en figuranten uit Algerije, Australië, België, China, Duitsland, Engeland, Frankrijk, Hongarije, Italië, Japan, Libanon, Litouwen, Nederland, Nieuw Zeeland, Oostenrijk, Rusland, Senegal, Verenigde Staten en Zwitserland maakten het Holland Festival 2011 tot een succes.

#HF11 Audi maakt Ayres’ grappig-grimmige dierenopera ‘The cricket recovers’ gelaagd en gewaagd

20 juni 2011 |

Componist Richard Ayres tekent voor de dierenopera ''The cricket recovers''. Foto Hanya Chlala

Eindelijk: de opera The Cricket Recovers naar het dierenverhaal De genezing van de krekel van Toon Tellegen is in Nederland! Het Holland Festival presenteert ruim zes jaar na de wereldpremière in Aldeburgh het werk van Richard Ayres, uitgevoerd door Asko|Schönberg en VocaalLAB onder leiding van Etienne Siebens. Pierre Audi tekende voor de regie: hij maakte de voorstelling gelaagd en gewaagd.

De luchtig lijkende opera van vijf kwartier en achttien scènes draait om de krekel en de olifant. De krekel is somber. De olifant wil in een boom klimmen, maar valt steeds. Andere dieren in het bos bieden hulp. De krekel komt uit de depressie en de olifant klimt voortaan denkbeeldig en bezeert zich niet meer. Alleen de mier blijft ontredderd achter en herinnert zich wat er is voorgevallen.

De muziek van de in Nederland woonachtige Britse componist Richard Ayres illustreert de absurde gebeurtenissen in het dierenrijk. IJle, hoge klanken van de violen als de krekel depressief rondbanjert, wild en woest als de krekel zich onrustig voelt of de olifant voor de zoveelste keer valt. Jolig en bombastisch als de dieren de krekel opvrolijken, schurende en schrale geluiden beelden eenzaamheid van de krekel en ongemak van de olifant uit.

Het verhaal van Tellegen, tot een libretto verwerkt door de Nederlandse dichter/componist Rozalie Hirs, biedt geen moraal. Regisseur Audi voegt subtiele details toe die wél stemmen tot nadenken of doordenken. De tekening van een boom in het decor wijst bijvoorbeeld op een zoektocht naar het onderbewuste die psychologen als Freud in hun therapie gebruikten.

Op een concreter niveau krijgen de dieren een uitgesproken karakter. De eekhoorn (Francine Vis) wordt een nerveus huppelend figuurtje in lichtblauwe fitnesskleren die tevergeefs de krekel opbeurt. De mus (Steven van Gils) jut als een driftig directeurtje de andere dieren op tot feestvieren. Erg vergezocht: de woelmuis raakt opgewonden van de ‘kleine boom’ (het kruis) van de olifant als zij samen in het bos zoeken naar geschikte klimbomen.

De stemmingswisselingen, variërend van dolkomisch tot dreigend, vormen de aantrekkingskracht van de compacte, Engelstalige opera. Van filosofisch tot plat; voor iedereen zit er wat in. De tekst, het beeld en de fragmentarische muziek versterken én storen elkaar. Vermakelijke scènes slaan door in groteske ongeloofwaardigheid. Introverte, schrijnende passages worden weggevaagd door melige salonmuziek.

Het Asko|Schönberg en het VocaalLAB zorgden zondag 19 juni voor een accurate, levendige uitvoering. Complimenten voor Donatienne Michel-Dansac die als zon superhoge noten eruit piepte. Het (bewust?) klungelige acteerwerk van Arnout Lems als olifant overtuigde minder, maar hij zong prima en zijn jodelende aandeel tijdens het boom klimmen was vermakelijk.

De theatrale en vocale kunsten van Bauwien van der Meer vallen op. De sopraan volhardt als krekel in prachtig uitgebeelde radeloosheid die aan het einde omslaat in lyrische nonchalance. Hopelijk kan VocaalLAB, het door het rijk gefinancierde internationale atelier voor nieuw muziektheater, nog vaak zulke fijne, frisse solisten leveren aan het Holland Festival.

Richard Ayres: ‘The Cricket Recovers’. Compagnietheater, 19/6/2011. Herhaling: 20/6, 21/6.

#HF11 ‘The select’ is keurig en braaf en mist op toneel de rauwe emotie van Hemingways roman

18 juni 2011 |

Foto Mark Barton

Zou de anti-reclame van premier Rutte cum suis door kunst weg te zetten als bestemd voor linkse types en andere idioten al effect sorteren? Je zou het bijna denken als je de tamelijk slecht gevulde zalen ziet tijdens de voorstellingen op het Holland Festival. Er zitten meer dan tien mensen op de eerste rij, maar toch houdt het allemaal niet over. Ook bij The Select (The Sun Also Rises) van de Amerikaanse groep Elevator Repair Service was de oude zaal van de Amsterdamse Stadsschouwburg nogal leeg. Dat is raar, want de groep had de afgelopen edities van het festival toch een goede naam opgebouwd met hun opvoeringen van Amerikaanse literatuurklassiekers.

Eerst was dat de The Great Gatsby in de voorstelling Gatz, gevolgd door The Sound and the Fury. Kenmerk van hun voorstellingen is dat ze de tekst zo integraal mogelijk spelen en nauwelijks schrappen en toch proberen een theatrale vorm te vinden om de roman een extra laag te kunnen geven.

Dit jaar is de groep te zien met hun versie van The Sun Also Rises van Ernest Hemingway. De schrijver schetst daarin een groep Amerikaanse en Britse dertigers in Europa in het Interbellum. Ze hangen rond in cafés in Parijs, gaan vissen in de Pyreneeën en zuipen zich kapot tijdens de fiestas rond het stierenvechten in Pamplona. En ze vervelen zich. Stierlijk. Middelpunt van dit alles is feestbeest Brett, een hippe Britse Lady met teveel geld en teveel tijd die bij alle mannen die ze ontmoet een onuitwisbare indruk achterlaat. Daar maakt ze graag misbruik van, maar zegt zich toch de hele tijd ongelooflijk ongelukkig te voelen. Tussen romantiek en verveling ligt in haar geval een dunne lijn. Een en ander wordt afstandelijk en ironisch opgetekend door de ik-figuur, de journalist Jacob, Jake voor vrienden, die stiekem ook veel van Brett houdt.

In een bruine kroeg met een onmogelijke hoeveelheid drankflessen langs de wand – pars pro toto voor de ontelbare kroegen die de groep in en uit loopt – observeert Jake zijn vriendengroep en de verveling, de irritaties en de jaloezie die tot een uitbarsting komen tijdens de stierenfeesten in Pamplona. Zijn observaties deelt Jake als verteller met het publiek.

De afstandelijke, nuchtere taal van Hemingway klopt met de speelstijl van Jake (Mike Iveson), die vertelt met een hele lichte ironische droogheid. Het past bij het personage van Jake dat van alles vindt van de feesten en romances die zich onder zijn ogen afspelen, maar dat niet onder woorden wil of kan brengen. Zeker niet als het Brett betreft. Maar toch houdt die mening zich wel ergens schuil tussen zijn woorden en zijn observaties. Ondertussen rolt een bonte schakering aan personages over de cafévloer, waarbij vooral de geestige Amerikaanse taxidermist Bill (Ben Williams) de show steelt. Het is opvallend hoe zelfs de onbeduidendste rolletjes tot in de kleinste geestige details gestalte krijgen: een barman goochelt handig met zijn fles, een nichterige barbezoeker kleedt met zijn ogen de clientèle uit, terwijl hij parmantig met zijn sjaaltje zwaait.

De speelstijl mag dan vrij realistisch zijn – op zijn filmisch Amerikaans -, de groep laat weinig momenten onbenut om het publiek er vindingrijk op te wijzen dat we hier wel met theater te maken hebben. Geluidseffecten bij ingeschonken glazen of ontkurkte flessen worden dik aangezet. Caféstoelen kunnen net zo goed dienst doen als de achterbank van een taxi, een tafel is net zo goed een wilde stier als een hotelbed.

Het eerste deel werkt die vlotte vertelstijl, het geestige en handige gebruik van het cafémeubilair en de afstandelijk-realistische speelstijl. Maar na twee van de drie-en-een-half uur sleept de voorstelling zich steeds moeizamer van café naar café.

Het punt is dat Hemingway heel veel niet zegt, maar dat de echte betekenis onder de oppervlakte van zijn woorden ligt. Onder de verveeldheid en de slemppartijen sluimeren onderdrukte emoties, machismo, bot anti-semitisme en andersoortig explosief materiaal. Daarvan geeft de enscenering zich veel te weinig rekenschap, doordat de voorstelling zo keurig en braaf wordt gespeeld. Hemingway laat de climax niet voor niets plaatsvinden tijdens de kolkende, van masculiniteit en emoties druipende stierenfeesten. De Elevator Repair Service verbeeldt die dampende feesten met een keurig dansje en een koddig stierengevechtje met een als tafel verkleedde stier. Als de jarenlang getreiterde verlegen joodse Cohn eindelijk eens met zijn vuisten uithaalt, verwordt dat door de geluidseffecten tot flauwe slapstick. Door die braafheid mist de regie de rauwe emotie die eronder schuil gaat totaal en gaat de echte waardevolle tragiek van The Sun Also Rises verloren. Waarmee weer eens bewezen is dat niet alle boeken zich op zijn Amerikaans laten theatraliseren. En dat onderbuikgevoelens zich meestal juist achter de woorden schuilhouden. Maar dat weten Rutte cum suis allang. Daarvoor hoeven ze niet naar het Holland Festival.

#HF11 Thomas Adès vaart zijn eigen schip en stuurt over vertrouwde wateren met nieuwe composities

18 juni 2011 |

De ark als de aarde, als een ruimteschip dat ons door de chaos van het heelal naar een veilige haven voert. De Poolster als ogenschijnlijk magnetisch middelpunt van het heelal waaromheen alle sterren draaien. Nee, dit is geen zweverig new age geleuter, het zijn de uitgangspunten voor Tevot en Polaris, twee grote orkestwerken van Thomas Adès, die onder leiding van de componist zelf hun Nederlandse première beleefden. Verder lezen

#HF11 Dromerige cultpop en visueel feest van The Irrepressibles

18 juni 2011 |

The Irrepressibles met hun Human Music Box. Foto Patricia Niven

Op verzoek van het Holland Festival maakte Jamie McDermott van The Irrepressibles een nieuw programma: Human Music Box. De tienkoppige Britse band begint zijn wereldtournee in Amsterdam. De première op vrijdag 17 juni in het Muziekgebouw aan ‘t IJ werd een ingetogen, muzikale avond die vooral visueel aantrekkelijk was.

In het midden van de Grote Zaal stond een groot, ronddraaiend plateau waar McDermott en zijn divers uitgedoste bandleden op musiceerden. Als een carrousel schoven de schaars geklede instrumentalisten en hun leider voorbij. Zo zorgde de ‘muziekbox’ met zijn doorzichtige gordijnen, spiegels en ingenieuze lichteffecten voor een fraai, afwisselend schouwspel.

Get Microsoft SilverlightBekijk de video in andere formaten.

De Irrepressibles gaan prat op hun talrijke inspiratiebronnen en eclectische stijl. Zij onderscheiden zich het meest door de verschillende instrumenten en de hoge stem van Jamie McDermott, artistiek leider, gitarist, zanger en componist van de groep. Dat viel in Human Music Box tegen.

De veelzijdige artiest koos voor een intieme sfeer in de nieuwe show. Veel klank in plaats van tekst en langzame liedjes; ideaal om bij weg te dromen. McDermott kon als countertenor schitteren in nummers als Prince en Pale Sweat Healing. De instrumentalisten fungeerden voor de gelegenheid als achtergrondkoortje. Onzuiver, maar het gaf een aardig effect. Braafheid lag op de loer. Na verloop van tijd ging de kalme, meditatieve aanpak van McDermott vervelen. Gelukkig brachten stukken als ‘In this shirt’ en ‘Arrow’ meer levendigheid. De speciale sounds van de strijkers, zeker de contrabas en de twee violen, creëerden een stuwende werking.

Een kink in de kabel van de gelikte voorstelling was de gitaar van McDermott die flink ontstemd bleek. Na een gênant momentje – hij kon het instrument niet zelf stemmen – werd het optreden expressiever. Jammer dat de band na een dik uur ophield, net nu het statische eruit was. Niet gevreesd, gezien de uitverkochte zaal zal het vast niet de laatste keer zijn dat de cultpopartiesten naar Amsterdam komen.

The Irrepressibles met ‘Human Music Box’. Muziekgebouw aan ‘t IJ, 17 juni 2011.

#HF11 Het Nationale Ballet kiest voor esthetisch dwalen en exotische plaatjes

18 juni 2011 |

Foto Joris Jan Bos

‘Labyrinth’ heet de choreografie van Sidi Larbi Cherkaoui. Doolhoven intrigeren omdat je er in kunt verdwalen en dan per se de uitgang wilt vinden. Onderweg doet een mens dan allerlei onthullende ervaringen op omtrent zichzelf. Maar Cherkaoui komt niet toe aan deze gang. Hij begint meteen met symboliek. Een danseres houdt een brede band vast die vanuit het toneelhuis naar beneden hangt. De band ontglipt haar en floept terug omhoog. Je zou er een losgeknipte navelstreng in kunnen zien, maar ook het begin van een droom, die de dagelijkse structuur doorbreekt en je in jezelf doet afdalen. Aan het eind van de voorstelling keert de danseres terug in deze positie: ze heeft de band weer in haar handen en houdt hem ferm vast.

Tussen deze twee momenten zien we in ‘Labyrinth’ de ene na de andere ronddwaal-scène, zonder dat dit ooit tot zelfreflectie leidt. De toeschouwer moet het doen met oppervlakkige aanduidingen van algemeen menselijke problemen: hoe functioneer ik in de groep, kan ik mijn vrijheid nemen, wat houdt mij tegen? Eerder werk van Cherkaoui onderscheidde zich juist door verrassende combinaties en authentieke statements, zoals bijvoorbeeld in ‘Rien de rien’.

‘Labyrinth’ steekt daar bleekjes bij af. De voorstelling komt niet verder dan sprookjesachtige wendingen en exotische plaatjes. Het ontbreekt aan een uitgewerkt verhaal. Er wordt drama gesuggereerd, maar al gauw lost de suggestie op in het niets. Wat over blijft zijn de steeds terugkerende grote groepen dansers, die over het toneel stormen in lange gewaden en wentelen als een wonderlijk soort derwishen, behept met een klassieke vijfde positie. Of dit nu priesters zijn of jongens uit de hood, de scènes kabbelen voort zonder dat er van hobbels of uitkomst sprake is. Het stuk lijkt te draaien rond het opgroeien van het meisje met de band.

Er ontwikkelen zich verschillende scenario’s, waarbij grote groepen mannen steeds de achtergrond bepalen. Mannen in de rol van het klassieke corps-de-ballet, het patriarchaat in levende lijve opgevoerd. Het lijkt een leuke omkering, maar de verwijzing wordt niet uitgewerkt en blijft als gegeven in de lucht hangen. Zoals ook de verwijzing naar vrouwelijke trots in een flamenco-scène op spitzen of de mannendans rond een levensboom tegen blauwe horizon, waarmee het stuk eindigt. Het blijven losse, zij het suggestieve beelden, soms ondersteund door prachtig onregelmatig  groepswerk.

Uiteindelijk vervalt ‘Labyrinth’, door het gebrek aan verband of het doorzetten van thematiek, in iedere scène terug in louter esthetische gestes. Die kunnen het gebrek aan drama of de uitdrukking van een diepere visie niet verhullen.

Het tweede deel van het nieuwe programma van Het Nationale Ballet is al even esthetisch. ‘Timelapse/Mnemosyne’ is van David Dawson, die ooit als danser aan het Nationale Ballet verbonden was, maar ook in 2005 als huischoreograaf. Maskers, rode handschoenen en zich vermenigvuldigende filmbeelden van dansscènes suggereren een uitgewerkte symboliek.

Opnieuw blijft het bij allusies en ontbreekt een diepere logica of een doorwrochten eenheid. Sterker, Dawson zoekt het spektakel. De geprojecteerde beelden en teksten verwijzen weliswaar naar het thema van herinnering en de verwoestende effecten van tijd. Maar oproepen als “Reconsider everything” doen weinig in het uiterst cleane toneelbeeld, dat aan een museum of showroom doet denken. In de dans gaat het namelijk vooral om effect. Een ritmisch, krachtig swingend trio krijgt van het publiek een gul tussentijds applaus, maar van een verband met de rest van de choreografie is geen sprake. Het zijn mooie ballet-bewegingen, in vrijgevochten klassieke stijl, maar meer dan de wens het publiek te behagen lijkt er niet achter te zitten.

Het Nationale Ballet met ‘Labyrinth’ van Cherkaoui en ‘Timelapse/Mnemosyne’ van Dawson. Gezien: 17 juni Muziektheater Amsterdam.N nog te zien: 19 juni (14.00 u.), 21 t/m 25 juni (20.15 u.)

Fransien van der Putt en Maarten Baanders

 

#HF11: Ze gaan nog flink snijden in de Russen bij Toneelgroep Amsterdam

17 juni 2011 |

Foto: Jan Versweyveld

Keulen en Parijs mogen dan niet in één dag gebouwd zijn, het kostte minder dan drie dagen om naar de maan te vliegen. Een kromme vergelijking om mee te vertellen dat een voorstelling die drie dagen voor de première nog rammelt, op de première zelf een onvoorstelbare hit kan blijken. Zoiets kan dus gebeuren met De Russen, de nieuwste voorstelling van Toneelgroep Amsterdam. Sterregisseur Ivo van Hove vroeg sterauteur Tom Lanoye om een bewerking van twee stukken van Anton Tsjechov. Zo mixte Lanoye de loser Ivanov met de Don Juan Platonov en zette ster-DJ Tom Holkenborg, alias Junkie XL, er een hallucinerende soundscape onder, terwijl het ‘urban’ decor van vormgever Jan Versweyveld verlicht wordt door schitterende projecties. Op het toneel staan nu alle sterren van Toneelgroep Amsterdam, en dus van het Nederlandse theater, de sterren van de hemel te spelen in een voorstelling die er dus prachtig uitziet en prachtig klinkt.

Maar het liep nog niet lekker, en dat zat hem toch vooral in de tekst. De bewerking van Lanoye komt in ieder geval drie dagen voor de première nog teveel over als een moderne hertaling, maar dan niet zo extreem als hij eerder deed met Ten Oorlog, de voorstelling waarin hij zes Shakespearestukken samensmeedde tot een 12 uur durend monument voor taal, Shakespeare en vooral acteur Jan Decleir.

Nu is de montage te zichtbaar, zijn de scènes waarin de personages uit de twee stukken elkaar tegenkomen te gekunsteld en wil het nog niet veel worden met de lotsverbondenheid tussen Platonov en Ivanov, hoe fantastisch Fedja van Huet en Jacob Derwig elkaar in die rollen ook tegenspel geven.

Ivo van Hove kennende zal het allemaal nog wel goed komen: we gokken op een voorstelling die niet zesenhalf, maar vijf uur gaat duren, en verwachten dat vooral in het laatste deel van de huidige bewerking flink het mes gezet gaat worden, hoe pijnlijk dat ook mag zijn voor Lanoye. Maar twintig eindes vonden we wat veel, om twaalf uur ‘s nachts.

Enfin. Flink snijden in eigen werk is iets wat ze op het toneel goed kunnen. Jammer wel dat ze dat in politiek Den Haag ook hebben overgenomen. Ook daar hebben we wat beelden van.

#HF11 Bijzondere voorstelling Jagden und Formen van Waltz en Rihm levert geen ideale uitwisseling op, maar wel interessante vragen over samengaan van dans en muziek

17 juni 2011 |

Dansers van Sasha Waltz & Guests in ''Jagden und Formen''. Foto Dominik Mentzos.

Componist Wolfgang Rihm en choreograaf Sasha Waltz, twee bekende gezichten op het Holland Festival en grote namen in de Europese podiumkunsten, brachten in 2008 samen een voorstelling uit die dit jaar niet mocht ontbreken in een Holland festival-programma. Het festival heeft niet alleen aandacht heeft voor een aantal grote, hedendaagse componisten (Xenakis, Rihm), maar timmert ook behoorlijk aan de weg op het gebied van interdisciplinaire en anderszins inter-culturele voorstellingen.

Waar bijvoorbeeld de Woostergroup, Schlingensief, Xenakis of Abou Lagraa voortreffelijke voorbeelden leverden van grens-overschrijdende projecten – allen bouwen op zekere tradities binnen het theater en de muziek, maar weten deze met rasse schreden tot bijkomstigheid te reduceren – blijft Jagden und Formen (Zustand 2008) wonderwel steken en lijkt de dans in een strijd verwikkeld met het sublieme geweld van de componist Rihm: er naast, er onder door of er bovenuit?

Rihm zet hoog in met een prachtig getoonzet Ensemble Modern, meer blazers op koper en hout dan strijkers en een batterij aan slagwerk, dat een veelheid aan noten en tempi produceert. Wolken en stapels bouwen op en breken uiteen, steeds houden stuwende ritmes een hoge noot paraat. Wat zullen dansers daar nog doen?

Het dansende ensemble is met veertien, maar laat zich niet meteen op volle sterkte zien. De opening is sober. Ingehouden, haast beperkt, stipuleren de dansers niet alleen maat en orde, maar ook fysieke tussentijd. De bewegingen zijn niet spectaculair als zodanig. Het is het verhouden tot de muziek, het innemen van impulsen en het afgeven ervan, dat telt. Heel sterk is de geïmpliceerde, mentale ruimte die zo ontstaat, tussen dans en muziek.

Het Ensemble Modern zit links op het toneel en twee van hen, violisten, openen met vier dansers de avond, in een virtuoze uitwisseling van gestes op de nog lege speelvloer rondom. Maar waar Rihm effectief stapelt en bouwt met details en breekt en grote lijnen clustert, blijven de dansers erg formeel in hun optreden. Ze duiden aan en doen, maar de duetten, trio’s en andere kleine groepen blijven als balletjes drijven op een niet aflatende stroom van muziek. Hun aanwezigheid is weerbarstig, gespeend van goedkope lyriek of snelle effecten, maar de lichamelijkheid van de muziek, het geweld van de tempi, de onaardse toonzetting, vindt geen tegenwerking in de lichamelijkheid van de dans, als een punt dat wordt vermeden.

Er zijn richtingen, er is gewicht, er wordt gemanoeuvreerd, er wordt losgelaten – alsof de dans steeds nieuwe voorstellen doet om te luisteren en te kijken. Maar onderwijl doorkruist Rihm meerdere jachtvelden en laat tsunamis achter. Deze merkwaardige rolverdeling werkt wel als voorzet, als afslag of als een vraagstelling desnoods, maar het niet materialiseren van de tegenkracht, de wedervraag is vermoeiend.

Naarmate het stuk vordert, permitteert de choreografie zich iets meer vrijheid. Het zijn niet alleen klassieke gebaren als een plots zwiepend been of een lyrische arm die even blijft hangen, die de drillende nervositeit van de muziek doorbreken. Wanneer de groep als geheel zich door de ruimte verspreidt, ontstaat een zekere massa die gewicht in de schaal legt en nieuwe uitgangspunten creëert. De meeste indruk maken in dit opzicht nog de wonderbaarlijke lichamelijke vormen die ontstaan wanneer dansers energie en vorm van elkaar overnemen en een nieuw samengesteld lichaam vinden of de grens daarvan opzoeken. Zo ontstaan fysieke momenten die een eigen logica hebben en de muziek van tegenspel voorzien.

Maar uiteindelijk zijn het bij uitstek de theatrale gebaren die indruk maken en een werkelijk gevoel van verhouding geven: een enkele danser op het podium die stil op zijn hoofd staat en een lichaam boven zich torst dat alleen in de haarvaten beweegt; de alt-hoboïste die door de dansers boven het hoofd wordt rondgedragen, al spelend horizontaal gaat en dan in een pose bevroren wordt achtergelaten, terwijl de muziek voortgaat. Of het moment dat het hele ensemble van dansers en muzikanten bijeen liggen met hun instrumenten op de vloer, op de dirigent, de pianist en de harpiste na: minimale impulsen van beide kanten, met maximaal effect.

Wanneer helemaal aan het einde, het stuk plots uitmondt in een dramatische scène, met protagonisten en beeldschoon agerende groepen – er vallen zelfs doden – is het voor sommigen gedaan en verlaten enige mensen de zaal. Velen applaudisseren daarna geestdriftig en een enkeling roept boe. Na zoveel fysieke bouwstenen en gestes los op te stellen en ingezet te hebben, blijft het een prangende vraag die Waltz oproept met Jagden und Formen over dans en de volheid van almachtige muziek: moet je die muziek willen voorzien van menselijkheid en drama of het juist zoeken in de directheid van de beperkte lichamelijke ervaring, los van symboliek en voorgekookte dramatiek?

 

http://www.sashawaltz.de/

http://www.ensemble-modern.com/

http://www.composers21.com/compdocs/rihmw.htm

 

#HF11 Rommelige opzet van Around Robert Wyatt zit magische momenten in de weg

15 juni 2011 |

Scène uit ''Around Robert Wyatt''. Foto Annabelle Tiaffay.

”Alifib” van de Britseprogrocker Robert Wyatt (1945) is een liedje dat onder de huid kruipt. De bijnabrekende stem van Wyatt klinkt zo oprecht triest dat het je de adem beneemt. Het lijkt een onmogelijke opgave om ”Alifib” overtuigend te brengen zonder de meester zelf. Toch krijgt het Franse Orchestre National de Jazz het voor elkaar. Waar Wyatt in het origineel ontroert, huilt in Muziekgebouw aan ‘t IJ de trompet van Erik Truffaz. Zijn klanken vangen prachtig de dramatiek dat het liedje kenmerkt. Het is één van de hoogtepunten tijdens ”Around Robert Wyatt”, een uniek project van het orkest en artistiek leider Daniel Yvinec.

Hij liet de zanger/drummer van Soft Machine en Matching Mole diverse nummers van zichzelf opnieuw opnemen. Die a capella zangpartijen vormen de basis van waaruit Yvenic en zijn muzikanten aan de slag gingen. De oorspronkelijke composities hebben een nieuwe aankleding gekregen. Die zijn spannend, enerverend en verrassend, maar worden niet zo gebracht. Muzikaal is het dik in orde, maar in de zaal valt weinig tebeleven. Op een enkele uitzondering na zijn de muzikanten volledig naar binnen gericht. Geen moment lijkt bij ze op te komen dat je ook met plezier je instrument zou kunnen bespelen.

Al is het grootste minpunt bij dit optreden dat de stem van Wyatt uit een doosje komt. Hoewel bekend is dat de Britse muzikant niet meer wil optreden, is de keuze om enkel zijn zang te laten horen wel erg gemakkelijk. Mooier was het geweest als er video-opnames waren toegevoegd of iets anders was bedacht. Nu voelt de show incompleet. Terwijl het grote scherm achter de muzikanten wel voor filmpjes wordt gebruikt. Bij sommige nummers versterken de ritmisch geknipte beelden de emoties in saxofoon- en pianoklanken, wat voor een mooi effect zorgt.

Ook bijzonder zijn de ogenblikken waarop wat bezieling op het podium verschijnt. Wanneer jazztrompettist Erik Truffaz soleert, in bijvoorbeeld het eerder genoemde ”Alifib”. Of als de Ierse singer-songwriter Perry Blake – hij is de enige zanger die wel op het podium verschijnt – op intense wijze ”Sea Song” brengt.  Op die momenten laat het orkest zien goud in handen te hebben. Robert Wyatt heeft een ongelooflijk rijk oeuvre, waar zij een mooie selectie songs uit hebben gehaald. Een slimmere opzet met wat toegevoegd spelplezier had kunnen zorgen voor een onvergetelijke avond.

Gezien op 14 juni in Muziekgebouw aan ’t IJ, Amsterdam. www.hollandfestival.nl

#HF11: Japanse bedrijskantine leidt tot hallucinerende tragedie van het onvermogen

13 juni 2011 |

Foto: Dieter Hartwig

Op heel verschillende plekken kunnen mensen soms hetzelfde idee hebben. En nog somser leiden die gelijke ideeën allebei tot iets prachtigs. Een paar jaar geleden speelde mimegezelschap Kassys dankzij het Brabantse theater Bis de prachtig droevige tragedie ‘Kommer’, waarin collega’s zinloze tijd doorbrachten in een rouwkamer vol leaseplanten. Ieder gratuit zinnetje werd uitvergroot door machtig hulpeloze gebaren tot in het absurde door te voeren, ten koste van de leaseplanten. Het Japanse Cheltfish Theater maakt in Hot Pepper, Air Conditioner and the Farewell Speech van hetzelfde principe gebruik om een heel ander verhaal te vertellen.

Conversaties op de werkvloer hebben zelden veel om het lijf, en volgens ingewijden (zie het filmpje) is dat in Japan extreem het geval. Regisseur Toshiki Okada heeft die betekenisloze conversaties teruggebracht tot hun kale essentie en ze vervolgens vermenigvuldigd. Daar maken de spelers vervolgens ballet van, op prachtig coole loungemuziek. Dat ballet is een uitvergroting van de gebaartjes, houdingswisselingen en rekoefeningen die iedereen in een enigszins normale ongemakkelijke gespekssituatie ook doet. De combinatie is even hallucinerend als hilarisch.

Markanter nog is het, dat de figuren op het toneel ondanks het minimale dat we van hen te zien krijgen, uitgroeien tot volwaardige karakters, met elk een eigen grote, en vooral tragische levensgeschiedenis. Hoe Okada dat voor elkaar krijgt, is moeilijk te omschrijven, maar hoe dan ook een wonder dat wel vaker optreedt met grote kunst.

We zouden hier de millenium-oude traditie van de penseeltekening de schuld van kunnen geven.  Feit blijft dat dankzij het theater en een van voldoende ironie voorziene boventiteling de culturele kloof moeiteloos wordt overbrugd. Samen met de Japanners aan de andere kant van de globe verbazen we ons over hoe we met elkaar omgaan, en hoe belachelijk ons normale gedrag eigenlijk is.

 

Gezien: 12 juni 2011 in Frascati Amsterdam.

#HF11: Er waart een oude manke huisknecht rond in de Zuidas

12 juni 2011 |

Foto: Matthew Andrews

Firs heet hij. En hij komt altijd te laat. Vanwege de jicht. Arme huisknecht.

Firs werd geschapen door Anton Tsjechov. In zijn meesterwerk De Kersentuin gaat het over de verveling en lamlendigheid van de oude rijken, en Firs is de huisknecht die het allemaal ziet gebeuren. Tsjechov laat hem sterven, aan het eind, wanneer de vertrekkende huiseigenaren hem totaal vergeten achterlaten. Meubilair was hij, en als meubilair zal hij achterblijven.

In de locatievoorstelling Before I Sleep is Firs de enige overlevende van de tragedie uit 1904. En dat alleen maar omdat hij zelfs te laat bleek te zijn voor zijn eigen dood. Vanwege de jicht, waarschijnlijk.

Het gezelschap Dreamthinkspeak maakt ervaringstheater, zoals wij dat kennen van een jonge maker als Dries Verhoeven: het verhaal doet er minder toe dan de sfeer, de belevenis en wat je verder zoal mee kunt maken op een avond in een vreemde plek. En die plek is wel heel goed gekozen. De Amsterdamse Zuidas is de vleesgeworden crisis: rond een foeilelijke snelweg staan gebouwen leeg die in alles de wansmaak van de optimistische bankiers uit de jaren van voor 2008 uitstralen. Over tochtige terreinen waar nog geen bouwwerken staan giert de wind. In een appartementengebouw kun je door het spiegelende glas alleen maar leven vermoeden. Voor de rest staat alles leeg. Een megalomane spookstad waar je alleen als ramptoerist rondloopt.

Je wandelt door een gebouw, door donkere gangen, staat plots in een warenhuis, en dan weer op een ijsvlakte, of in een etalage. En steeds is daar die figuur Firs, die je iets wil vertellen, maar omdat hij Russisch spreekt en wij niet, komt de boodschap nimmer aan. Of het moet de boodschap van weemoed en verlangen zijn, die we zo graag associëren met Tsjechovs werk.

Dreamthinkspeak maakt indruk door de perfectie van de productie. Tot en met de Nederlandse supposten aan toe, die je van zaal naar zaal wijzen, ziet alles er perfect uit. Als toeschouwer geef je je al snel over aan de sfeer, en sluit je vrede met je onvermogen om iets van de nieuwe wereld waarin je terechtgekomen bent te snappen.

Net als Firs, eigenlijk.

Gezien op 11 juni 2011 in het Holland Festival

#HF11 Ongekunstelde, sobere en krachtige ”Flûte Enchantée” van Peter Brook

10 juni 2011 |

Papageno pronkte gisteravond zonder zijn verenpracht. Sterker nog, de hele regie van Une flûte enchantée was een onopgesmukt genoegen. Sober. Integer. Je kunt een Nederlands publiek niet wilder krijgen dan met een dergelijke aanpak. Complimenten dus, voor Peter Brook.

In het Muziekgebouw aan het IJ was de Nederlandse première van Brooks bewerking van Die Zauberflöte van Mozart. De productie draaide in februari met dezelfde cast in zijn eigen theater in Parijs, Le Théâtre des Bouffes du Nord. Het was tevens de allerlaatste regie van de 85-jarige regisseur daar. Neemt hij helemaal afscheid van zijn immense carrière? Het is nog niet duidelijk.

Stel je een magische wereld voor. Hoe ziet dat er uit in de ogen van Brook? Het toneelbeeld was leeg en duister, opgelicht door de bleke weerschijn van verspreid staande bamboestammen. Een alchemist, de acteur William Nadylam, brouwde een plot. Uit het niets toverde hij een fluit te voorschijn. Uit zijn vloeiende handen en lokkende stem ontrolde zich een verhaal over goed en kwaad.

foto: Pascal Victor

Tenminste, goed en kwaad zoals Mozart het zag. Dus tussen de twee polen staat niets vast. Als het al twee polen zijn. Het is een thema waar Brook zich zeker bij thuis voelt. In de versimpelde versie bleef de ambiguïteit overeind, maar er moest ook veel wijken. De drie dames, de drie jongens, de drie priesters: weg. Het libretto zoals Emanuel Schikaneder het ooit bedoelde: weg. De orkestratie van Mozarts muziek: weg.

De ouverture duurde niet langer dan een paar maten en werd ingezet door Franck Krawczyk, rechts op het podium aan de vleugel. Naast dat Mozarts grappige instrumentatie door deze vereenvoudiging verdween, had de voorstelling helaas wat weg van een voorspeelavond. Aan de andere kant kregen de door Krawczyk begeleide zangers wel alle aandacht.

Brook stelde ooit in een interview dat er maar weinig goede theaterregisseurs zijn en nog veel minder goede operaregisseurs. Dat is natuurlijk de schuld van die zangers. Verwonderd stilstaan bij een prachtig aanzwellende toon, niets heerlijker dan dat. Het is de kunst van een regisseur om zangers te laten vergeten dat ze zanger zijn.

In het mystieke woud van Une flûte enchantée bewogen de zeven zangers en twee acteurs zich moeiteloos. Thomas Dolié was een natuurgetrouwe Papageno met een warm geluid. De rol is heerlijk dankbaar, en daar maakte hij gebruik van. Met rollende ogen en mompelende verwensingen volgde hij Tamino naar het rijk van Sarastro, de lachers steeds op zijn hand.

foto: Pascal Victor

Geheel aan de andere kant van het spectrum stond de Koningin van de Nacht. Met een spatzuivere toon en een lichte toets was Malia Bendi-Merad gisterenavond de perfecte belichaming van Brooks ideeën. Ze verlokte Tamino met onschuldige stem. Ze verscheurde het loyale hart van haar verloren dochter, die haar handen op haar oren drukte terwijl haar moeder hysterisch om wraak eiste in Die Hölle Rache. Ze verlaagde zich zelfs tot samenwerken met de gluiperige Monostatos. Geheel logisch waren haar acties om Pamina terug te krijgen.

Een aanval van de alchemist op het bamboebos maakte een eind aan de tweespalt. Eensgezind speelden de zangers en acteurs een soort mikadospel om weer rust en orde te krijgen. Aan de vooravond van de Culturele Kaalslag was het goed toeven met deze ongekunstelde, maar zeer krachtige voorstelling.

#HF11 Spelen met de snor van Nietzsche in operafantasie van Wolfgang Rihm

9 juni 2011 |

Een opera gebaseerd op teksten van Nietzsche, en dan beginnen met hard gelach en hoofdpersonage N die probeert twee waternimfen te pakken te krijgen. Wacht even, dat is Wagner! Goed, bij Wagners Rheingold gaat het om drie Rijndochters, maar de overeenkomst is te groot om toevallig te zijn. En dat is die ook niet, maar in de eerste minuten van Wolfgang Rihms Dionysos is veel meer aan de hand. Hier is een componist aan het werk die niet alleen met tekst en muziek speelt, maar ook met eeuwen cultuurgeschiedenis en daar nog grappen bij weet te maken ook. Het is om in van een roes te geraken. Verder lezen

#HF11 Jonge Hongaren in Leonce en Lena verdienen onze sympathie

8 juni 2011 |

foto: Hector

Acteurs met soort van harembroeken en bamboestokken op een nondescript speelvlak. Sommigen onder u denken hierbij wellicht nostalgisch of vol huiver terug aan de tijd dat er in Nederland nog ‘Akademies voor Ekspressie’ waren. Toppunten van sociokunst. Ergens diep in de jaren zeventig van de vorige eeuw, dus. Het uit Hongarije afkomstige Maladype Theater past naadloos in dat beeld, dat we ook nog wel eens zien bij een loslopend theatersport-tournooi in ons lokale buurthuis. Moeten wij daarom het gezelschap dat in het Holland Festival in deze vormgeving een bewerking bracht van Georg Büchners Leonce en Lena afserveren?

Laten we dat nou eens niet doen.

Immers, het gezelschap komt uit Hongarije. Het is pas in 1989 bevrijd en dus is het logisch dat ze nu zo’n beetje zijn waar wij in de jaren zeventig waren, qua theater. Komt nog bij dat het in Hongarije sinds het einde van het communisme helemaal niet zo pluis is. Er is een extreemrechtse regering die niet houdt van persvrijheid en vrije kunst, en die dat met wetten en subsidiestops bekrachtigt. Maladype is een vrij gezelschap dat zich buiten het systeem in leven probeert te houden en verdient alleen daarom al ons respect.

En kijken we eens wat nader naar die voorstelling die ze hier brengen, dan is er meer aan de hand dan we op het eerste gezicht zouden denken. Leonce en Lena is één van de drie stukken die Georg Büchner ons naliet. Een wild jeugdstuk is het, opvallend modern voor zijn tijd en hier te lande een paar keer bijzonder krachtig opgevoerd, onder meer door het Ro Theater van Alize Zandwijk.

Deze Hongaarse bamboestokkenspeelpakjesversie mag daar mijlenver van verwijderd zijn, er zit een grond-idee achter dat op zijn minst even modern is. De acteurs hebben namelijk iedere scène van het stuk in vier variaties ingestudeerd. De altijd aanwezige regisseur kiest per scène, per speelavond, per moment, welke scène hoe vaak gespeeld wordt op welke manier. En het publiek heeft inspraak. Tot op zekere hoogte. Daarin kun je een uitspraak zien over de totale richtingsloosheid van het rijke leven van vandaag. Bijvoorbeeld.

Ook mag dit aan theatersport doen denken, maar omdat het Leonce en Lena is, doet Maladype er dus ook een uitspraak mee over de wereld van jongeren van vandaag. Ook sport staat voor leegheid, en ze bewegen nogal wat af, de spelers. De referenties aan computerspelletjes en hun spinoffs (Prince of Persia en Mission Impossible komen langs) zijn bovendien ontwapenend. Een Japanse poppenspelscène aan het eind is zelfs ontroerend.

Blijft staan dat je naar een totaal andere wereld, een andere tijd, een ander leven kijkt dan we hier gewend zijn. Maar ook dat kan best wel eens nuttig zijn.

Gezien in het Holland Festival op 7 juni. Daar nog op 8 juni 2011.

#HF11 Weerbarstige, lieflijke en humoristische noten bij minifestival Xenakis 1234

5 juni 2011 |

Met de strijd tussen Titanen en goden op de berg Olympus opent Xenakis 1234, een minifestival in het grote Holland Festival. In vier concerten, verspreid over twee dagen, staat Iannis Xenakis centraal. Daarnaast is ook nog een omvangrijke tentoonstelling aan de Griekse componist gewijd, die van huis uit wiskundige en architect was. Verder lezen

#HF11 Milieuboodschap in ‘Birds with Skymirrors’ geeft fantasie geen vleugels, maar zit letterlijk in de weg

4 juni 2011 |

Een danser met vogelkop uit ''Birds with Skymirrors''. Foto Sebastian Bolesch.

Je kunt je ogen bijna niet afhouden van de voeten. De dansers maken drukke, snelle pasjes en toch lijken hun lichamen over het toneel te glijden. Het straalt iets van volmaaktheid uit. In ‘Birds with Skymirrors’ krijg je voortdurend het gevoel dat de vogelwereld model heeft gestaan voor de bewegingen. Trillende handen doen aan vleugeltoppen denken, kwetsbaar de luchtlagen aftastend. Choreograaf Lemi Ponifasio voelt zich één met de aarde. De cultuur van zijn geboorte-eiland Samoa heeft dat gevoel onuitwisbaar in hem geplant. Geen scheiding tussen cultuur en natuur. Ponifasio kan niet anders dan dit gevoel in zijn dans verwerken. Zijn danskunst staat midden in het leven. Geen onderscheid tussen kunst en werkelijkheid. Met zijn dans wil hij de beleving van verbondenheid met de natuur op anderen overbrengen. Wees er zuinig op, maak de aarde niet kapot, is zijn boodschap.

Op een dag zag Ponifasio vogels met glinsterende snavels vliegen, of ze spiegeltjes meedroegen. Prachtig. Maar toen hij ze van dichtbij zag, bleken het stukjes videotape te zijn, die in zee waren gedumpt.

De voorstelling is een donker, langgerekt ritueel. Zorgvuldig en geconcentreerd maken mannen armgebaren, mooi afgerond, vloeiend, met soms gedecideerde hoofdbewegingen. Ze lijken te roeren in zeewater of in de lucht, zacht en meegaand. Als ze het hoofd achterover leggen, stralen ze een totale overgave uit aan de stromen die hen omringen. Het wonderlijke is dat diezelfde gebaren tegelijk iets van macht en controle hebben, alsof de stromen om hen heen ook hun eigen bewegingen zijn. Ondanks de ontspannen uitstraling van de dansers is er een strakke discipline.

De muziek is eenvoudig: lange tonen van de aarde die alles wat er op haar gebeurt lijdzaam ondergaat. Hoezeer deze dans ook in het echte leven wortelt, voor een westers publiek blijft de voorstelling toch de stilering van een ver eiland dragen. Zo blijft er afstand bestaan. De dans is vervuld van bezieling door de natuur, maar sleept het publiek daar niet in mee. Ondanks de verschrikte gillen van de vrouwen en hun dans met slingerende bollen, wordt er weinig spanning opgebouwd. Je gaat gaandeweg verlangen naar een dramatische insnijding, een onverwachte wending. Die komt niet en dat maakt ‘Birds with Skymirrors’ op den duur een beetje saai.

De boodschap is overduidelijk. Je ziet filmbeelden van een pelikaan die wanhopig probeert omhoog te komen uit door olie vervuilde golven. Eén van de dansers draagt een vogelkop. Deze letterlijkheid zit het genieten van de dans in de weg. Natuurlijk zijn die filmbeelden aangrijpend, maar ze zeggen niet meer dan: “Kijk eens hoe erg! Vervuil de zee niet.” Wat de voorstelling eigenlijk moet doen, is je fantasie vleugels geven, waardoor je anderhalf uur voelt hoe kwetsbaar je bent. Want kwetsbaar is de natuur. En kwetsbaar is ook de vervuiler die deel van die natuur is.

Lemi Ponifasio en dansgroep MAU met ‘Birds with Skymirrors’. Gezien: 3 juni, Stadsschouwburg, Amsterdam. Nog te zien: 4 en 5 juni, 20.00 uur

#HF11: Isabelle Huppert alleen op camera betoverend in wankele bewerking van Tramlijn Begeerte

4 juni 2011 |

Foto: Pascal Victor

Ze zeggen van Isabelle Huppert, sinds jaren de mooiste en meest mysterieuze verschijning op het filmdoek, dat ze live de uitstraling van een dood zebravinkje heeft. Ik had daar in ieder geval over gehoord, maar het nog nooit in het echt meegemaakt. Tot vrijdagavond 3 juni in de Amsterdamse Stadsschouwburg bij Un Tramway in het Holland Festival.

En het klopt dus.

Live op het toneel, vanaf rij tien gezien, is Isabelle Huppert een in haute couture gestoken dood zebravinkje. Kijk je echter naar haar ter plekke opgenomen beeld, achter haar op een polaroidmatglazen ruit geprojecteerd, zie je de fantastische, flamboyante, etherische vrouw die je kent uit de bioscoop. Zelfde vrouw, zelfde beweging, zelfde moment, maar een totaal andere wereld.

Wat ís dat toch?

Bestaat er zoiets als de magie van het witte doek? De camera die een eigen dimensie toevoegt aan alles wat vlees is en die bij sommige mensen tot een bijzondere chemische reactie leidt? Die vraag hield me bezig tijdens de voorstelling en gelukkig bood die alle gelegenheid om rustig te werken aan het antwoord.

Want we moeten iets over deze voorstelling kwijt, al is het met tegenzin. Immers, de Poolse regisseur Warlikovski, sinds enkele jaren de lieveling van de internationale festivalmarkt, heeft iets heel raars in elkaar gezet met ‘Un tramway’. Hij monteerde allemaal hoogst platte, dan wel filosofische monologen tussen de scenes van Tennessee Williams‘ klassieker ‘Tramlijn Begeerte’ en voegde er bovendien een lichtbejaarde postpunkzangeres aan toe, die heel erg lange teksten kan zingen met een heel erg schelle, verschrikkelijk in het gehoor liggende stem, op foeilelijke seventieskitschmuziek. Zal wel een statement zijn, maar waarover ontging me.

In het decor, dat helaas niet goed in de Amsterdamse Stadsschouwburg paste en daarom de eerste rang-plaatsen in de Stalles het uitzicht benam, overheerst afstand en kilte, net als in het spel. Seksuele verhulling, hét stijlmiddel van Tennessee Williams, is hier vervangen door expliciete bronstigheid. Te plat en afstandelijk: het gaat net wat verder dan de intellectuele exercitie die de Woostergroup later dit festival laat zien in Tennessee Williams’ Vieux Carré. Waar het dus op de een of andere manier wél werkt.

Blijft over: dat wonder van Isabelle Huppert en de camera. Natuurlijk helpt de grofkorreligheid van de lens en de overbelichte CCD-chip bij het verhullen van ouderdomsdetails, maar dat kan het niet alleen zijn. Naarmate het aantal scènes waarin het wonder zich voltrok toenam, viel het kwartje.

In elk van die scènes richt Huppert haar ogen niet op de zaal, maar op de lens. Dat is best lastig, want die camera’s staan dus ergens op het eerste balkon van de Amsterdamse Stadsschouwburg. Of ze een signaaltje krijgt of het aanvoelt, is onbekend, maar het is precies die blik die de toeschouwer via de camera als een bliksem treft.

Die toeschouwer krijgt  daarmee een mooie compensatie voor het feit dat Huppert zelf vanaf het toneel geen enkele poging doet om contact te leggen. Haar wereld, haar ziel, vertrouwt ze toe aan de camera en alleen de camera. Die wij dan ook maar tot het eind der dagen zullen volgen.

‘Un Tramway’ met Isabelle Huppert. Gezien op 3 juni in het Holland Festival. Daar nog op 4 en 5 juni. Reserveren

#HF11: Zo groots, zo extreem en zo beklemmend als Schlingensiefs ‘Mea Culpa’ zie je theater maar zelden

3 juni 2011 |

Foto: Georg Soulek

Jong sterven blijkt niet alleen gunstig voor hemelbestormers als Buddy Holly, Sam Cooke of Jezus. Ook in een toch tamelijk elitaire wereld als die van het Duitse theater kun je door een vroege dood sterstatus bereiken. Dat is ieder geval Christoph Schlingensief overkomen, de man die in 2010 aan longkanker overleed. De man had in het hele Duitse taalgebied al zo’n beetje iedereen tegen zich in het harnas gejaagd die je maar kunt bedenken. Altijd op het randje van wat nog door de beugel kan, streek hij ook de traditionele Linkse Kerk (in Duitsland ‘Gutmenschen’ genoemd) flink tegen de haren in met voorstellingen waarin het publiek in een soort asielzoekersbigbrother kon stemmen over het uitzetten van vluchtelingen of waarin een paar herstelde neo-nazi’s de hoofdrol speelden in een Hamlet.

Mea Culpa was zijn voorlaatste voorstelling (zie elders op deze site ook de recensie van zijn zwanenzang Via Intolleranza) en kun je het beste zien als een laatste poging van deze regisseur om alles in zijn leven een plek te geven. En dat alles moeten we dan een beetje letterlijk nemen. In een bijna drie uur durende orgie van beeld, muziek en tekst veegt hij de vloer aan met de kerk, de opera, de kunst, de ontwikkelingshulp en zichzelf. In het begin lijkt dat op overdaad, maar de voorstelling heeft ook in die overdaad een diepe ‘soul’ die voelbaar is tussen alle megalomane draaitonelen, orkesten en acteursmassa’s in.

Sterven is verschrikkelijk, zeker voor iemand die nog zo jong en vol idealen is als de net geen veertig geworden Schlingensief. In dit stuk wordt zijn rol nu door een andere acteur gespeeld, maar in alles voel je dat de geest van de bevlogen regisseur door de coulissen rondwaart. Dat is een aspect dat naar het einde toe steeds sterker voelbaar wordt en dat maakt het slot van de voorstelling, met het onafwendbare afscheid, keelsnoerend. Zo groots, zo extreem, en zo beklemmend zie je theater maar zelden.

Gezien: 2 juni als opening van het Holland Festival

 

#HF11: Met The School for Scandal geeft Deborah Warner een vrolijke schop tegen een aartsconservatieve theatertraditie. De Britten zijn not amused.

2 juni 2011 |

Foto: Neil Libbert

Dat was even knarsetanden voor de Britse theatercritici. De gevierde regisseur Deborah Warner (1959) trok onlangs Richard Brinsley Sheridan’s The School for Scandal uit de kast. Een stuk uit 1777, en een onaantastbaar onderdeel van de Britse theatercanon. Voortbordurend op de stijl van haar eerdere productie Mother Courage (2009) gaf Warner ook aan The School for Scandal – godbetert – een eigenzinnige, hedendaagse draai.

 

“Met veel video, licht, muziek en kabaal – als een rockconcert, ” grijnst Warner in het kantoor van het Barbican Theatre in Londen. “Mother Courage had een ontzettend populistische, spannende sfeer. Ik houd ontzettend van die arrogante theatraliteit, en die stijl wilde ik voortzetten in The School for Scandal. Voor mij was het de grote uitdaging om de Brechtiaanse theaterstijl van Weimar – die ik via Mother Courage weer had ontdekt – te laten botsen met een achttiende-eeuwse theatertekst.”

Verder lezen

Diepere lagen ver te zoeken in onduidelijk project ‘The Long Count’ van tweelingbroers Dessner

2 juni 2011 |

The Long Count – foto Julieta Cervantes

Twee jongens slaan met een honkbalknuppel tegen een gitaar, die aan een touw in de lucht hangt. Even daarvoor hebben ze het instrument ook al mishandeld bij een vreemd touwtrekspelletje, waarbij de gitaar regelmatig de grond raakte. Beide keren vullen schrille, nare klanken de ruimte. De spelletjes worden met een bloedserieus gezicht gespeeld en lijken dus iets te vertellen aan de bezoekers. Maar wat eigenlijk? Die vraag blijft door je hoofd tollen bij vrijwel elk theatraal moment in The Long Count. Het project van de tweelingbroers Bryce en Aaron Dessner van indierockband The National klinkt nogal spannend. Zo wordt het in de aankondiging een multimediaal concert genoemd, met een liederencyclus waarin de tijd voordat onze wereld begon, centraal moet staan. De muzikanten creëerden het samen met videokunstenaar Matthew Ritchie en gebruikten de Popol Vuh, een historisch-mythologische tekst van een Maya-volk uit Guatemala over die begintijd, als inspiratiebron. In de voorstelling willen ze verbanden leggen tussen mythe van de Maya’s en hun eigen leven. Verder lezen

Via Intolleranza II is een onweerstaanbaar geestige theaterchaos over de bouw van een operadorp.

27 mei 2011 |

foto: Aino Laberenz

De vorig jaar aan longkanker overleden Künstler Christoph Schlingensief – alleskunner, provocateur, regisseur, levenskunstenaar – krijgt op het Holland Festival een uitgebreid eerbetoon: de openingsvoorstelling Mea Culpa, een programma met zeven speelfilms, en Schlingensiefs zwanenzang Via Intolleranza II.

Doodziek vatte Christoph Schlingensief het wilde plan op om in Burkina Faso een operadorp uit de grond te stampen, Remdoogo. Een zelfvoorzienende vrijplaats waar mensen vanuit verschillende culturen elkaar zouden kunnen ontmoeten, en om daar voor langere tijd samen kunst te maken. Dit in navolging van vergelijkbare initiatieven zoals het Avenida Theater in Mozambique, opgezet door schrijver Henning Mankell. Schlingensief streefde naar het samenvloeien van kunst en leven. Gedreven uit een jarenlange fascinatie voor de rijke Afrikaanse cultuur, en geïnspireerd op de idealen van zijn grote held Joseph Beuys.

Via Intolleranza II is Schlingensiefs poging om in een maalstroom van documentaire, muziek, beeldende kunst, film, performancekunst, lezing, opera en theater het prille wordingsproces van Remdoogo vast te leggen. Een voorstelling over een proces. Tegelijkertijd lijkt Schlingensief ook zijn eigen motieven te bevragen. Via Intolleranza II was zijn zwanenzang – hij stierf drie maanden na de première. De voorstelling krijgt op zaterdag 4 juni de Nederlandse première. Verder lezen

Spelen bij de Wooster Group: ‘een totaal nieuwe manier van op het toneel staan, van omgaan met signalen en het materiaal van de voorstelling’

25 mei 2011 |

Foto: Franck Beloncle

‘Uw toeschouwers zullen ervan smullen.’ Dat was het laatste wat Liz Lecompte van de Wooster Group kort voor de première van Vieux Carré hoorde van de erven van toneelschrijver Tennessee Williams. Sindsdien houden de beheerders van de nalatenschap van dit Amerikaanse monument zich koest over de voorstelling die Lecompte heeft gemaakt. Het was het slot van een lange periode waarin het toonaangevende avantgardegezelschap over elke regel had moeten onderhandelen. Grootste struikelblok waren een paar flink geschapen kunstpenissen en openlijk homo-erotische scènes. Volgens regisseur Lecompte noodzakelijke ingrediënten: ‘Williams verwijst regelmatig naar de onderbuik, en gebruikt talloze beeldspraken die over het mannelijk lid gaan. Het is ook bekend dat Williams een voorliefde had voor Japanse pornografie. In onze voorstelling past het die impliciete verwijzingen expliciet te maken.

Tennessee Williams, bekend van onder meer Tramlijn Begeerte en Kat op een heet zinken dak, zou over zijn voorlaatste toneelstuk uit 1978 veertig jaar hebben gedaan. Hij beschrijft in Vieux Carré het leven in een smoezelig pension in een wijk die tijdens de jaren dertig van de vorige eeuw al het afvoerputje van New Orleans was. De tekst laat een jonge schrijver zien, die worstelt met zijn schrijverschap en zijn coming out als homoseksueel in dit oord vol alcoholisten, travestieten, misdadigers en mislukte kunstenaars. Het stuk wordt regelmatig gespeeld in de Verenigde Staten, maar wordt niet als een hoogtepunt gezien in het oeuvre van de in 1983 overleden schrijver. De wereldpremière in 1978 was zelfs een flop.

Dat de versie die de Wooster Group nu brengt wel een succes is, is te danken aan de speciale aanpak die het gezelschap weer heeft gekozen. Het gezelschap speelt immers nooit rechttoe-rechtaan. Ook al passeert ieder woord de revue, conform de strenge eisen van de erven Williams, in vormgeving en manier van spreken neemt het gezelschap grote afstand van het naturalisme van Tennessee Williams.

De spelers bevinden zich in een ruimte die bepaald wordt door de techniek: rollende podia, monitoren die op hen, maar niet op de zaal zijn gericht, koptelefoons op de oren. Volgens actrice Kate Valk voldoet de Wooster Group daarmee ook aan de wensen van Williams: ‘Hij heeft het daar vaak over in de regie-aanwijzingen. Dan wil hij dat iets heel erg gestileerd wordt gebracht, of absurdistisch. Hij wilde dus ook iets anders proberen om te ontsnappen aan het naturalisme.’

En dat maakte het stuk bij uitstek geschikt voor een Wooster-behandeling, legt Lez Lecompte uit: ‘Belangrijk is dat we niet van naturalisme houden. Daarom geen huis-tuin-en-keuken-realisme in deze Williams. Het publiek gaat tegenwoordig ook op een heel andere manier om met beeld dan dertig jaar geleden.’

Op de monitoren, onzichtbaar voor het publiek maar goed te zien voor de spelers, spelen afwisselend filmbeelden van Paul Morrissey en Ryan Trecartin. Deze beelden dienen ter inspiratie voor de spelers: ze bepalen de sfeer, leiden bewegingen en stemmingen in en inspireren soms tot hele andere scenes. Achterop het toneel zitten de VJ’s die de filmfragmenten aansturen. Lecompte: ‘De films van Paul Morrissey hebben een sfeer die heel erg past bij Tennessee Williams. Hij kende het leven ook in The Factory, de kunstenaarsvrijplaats van Pop Art-goeroe Andy Warhol, waar Paul Morrissey aan zijn films werkte. Hoe schokkend de films van Morrissey toen ook waren, ze komen nu haast romantisch op ons over. Als modern tegenwicht hebben we er de videokunst van Ryan Trecartin bijgedaan. Dat zijn hele moderne beelden, veel harder vaak.’

Die videobeelden leveren een bijzondere inspiratie op voor de spelers, vertelt Kate Valk: ‘Soms merk je in een dialoog dat je tegenspeler net de beelden van Trecartin voor zich heeft, terwijl jij in een Morissey zit.’

Om de zaak nog wat te compliceren horen de spelers op hun koptelefoons ook nog eens hele andere dingen dan ze uitspreken. Dan vraag je je af of ze met al die verschillende signalen nog wel aan echt spelen toekomen. Volgens Kate Valk wordt het er allemaal veel mooier van: ‘Als je in zo’n situatie mooi probeert te acteren, heb je een probleem. Het is als zwemmen: je moet bovenblijven, maar je vooral ook kunnen laten drijven. Je moet je niet laten afleiden door alle input die je krijgt, maar het over je heen en door je heen laten stromen. Het is heel inspirerend: een totaal nieuwe manier van op het toneel staan, van omgaan met signalen en het materiaal van de voorstelling.’

‘Voor mij is dat een heel fijne methode om voorstellingen van structuur te voorzien,’ vertelt Lecompte. ‘Vooral omdat ik veel werk op het snijvlak tussen dans en toneel. Het gaat voor mij meer om bewegingskunst dan om iets anders. De beweging staat centraal. Of de handeling eerst komt, of juist de woorden, maakt dan niet meer uit, het is één stroom. Gebaren zijn er ook niet om woorden te illustreren. Ze staan op zich. Niets is aanvullend, alles staat op zichzelf.’

Vieux Carré is te zien op 11, 12 en 13 juni in de Zuveringshal op het Westergasfabriekterrein.

Je zou wel eens willen weten wat Spalding Gray en Christoph Schlingensief elkaar te vertellen zouden hebben gehad.

24 mei 2011 |
Spalding Gray
Cover of Spalding Gray

Op het Holland Festival dwalen twee geesten rond. De meest luidruchtige is die van Christoph Schlingensief, Duitslands meest onafhankelijke cineast, theatermaker, activist en enfant terrible, altijd goed voor controverse. Na de in 2008 gestelde diagnose longkanker verwerkte hij zijn woede en angst in Eine Kirche der Angst vor dem Fremden in mir, in 2009 gepresenteerd op het Holland Festival. Dit jaar brengt het HF de Nederlandse première van zijn laatste twee theaterproducties.

De andere geest is die van de Amerikaanse acteur, toneelschrijver en performer Spalding Gray. Zijn naam is verbonden aan The Wooster Group, het New Yorkse gezelschap waarvan hij medeoprichter was en dat ook nu weer acte de presence geeft op het Holland Festival.

Beide kunstenaars leven ook voort in de films die ze maakten. Het HF laat bij wijze van hommage een ruime selectie zien, waaronder Schlingensiefs roemruchte en hoogst bizarre Deutschlandtrilogie. Wat dacht u van 100 Jahre Adolf Hitler, de laatste uren van de Führer in zijn bunker, gefilmd als expressionistische horrorparodie. Let op de vilein geplaatste quote van Wim Wenders. Nog wilder gaat het toe in Das Deutsche Kettensägenmassaker, waarin na de val van de muur Wessies jacht maken op Ossies.

Het is Schlingensiefs commentaar op de samenleving, maar niet iedereen zag de grap van deze duiveluitdrijving in. In de verhelderende en zeer onderhoudende documentaire Schlingensief und seine Filme vertelt de kunstenaar dat zijn vader, die apotheker was, hem leerde dat bij ziekte een kleine dosis gif als geneesmiddel kan werken.

In vergelijking met Schlingensief gaat Spalding Gray bij het bezweren van demonen aanzienlijk rustiger te werk, wat na een overdosis Duitse chaos een verademing kan zijn. Als acteur en theatermaker verwierf Gray faam als meester van de monoloog, uitgevoerd in een minimalistische setting.

Swimming to Cambodia is de filmregistratie van Gray’s succesvolle theatermonoloog waarin hij herinneringen ophaalt aan de kleine rol die hij speelde in The Killing Fields en zijn verblijf in Thailand. In een knus theaterzaaltje in New York gaat Gray achter een tafeltje zitten met alleen een glas water, een microfoon en een notitieblok. Hij rolt de mouwen van zijn houthakkershemd op en steekt van wal. Hij is nauwelijks begonnen of hij ziet al overeenkomsten tussen een luxueus Thais hotel en gevangenissen in de VS. Bijna anderhalf uur lang is hij niet te stuiten en pakt hij zijn publiek in met zijn ironische voordracht en zijn onverwachte gedachtesprongen. Ja, zo eenvoudig kan film- en theatermaken zijn.

Meer nog dan Schlingensief gebruikt Gray zijn eigen ervaringen als inspiratiebron en maakt hij zichzelf tot het middelpunt van zijn kunst. En hoewel hun werk verder nauwelijks te vergelijken is, draait het ook bij Gray uiteindelijk uit op het bezweren van angst. Subliem is zijn recept voor het perfecte moment. Als je gaat zwemmen en je bent bang voor haaien, laat dan je geld achter op het strand waar het gestolen kan worden. Je angst zal bij het geld achterblijven.

Christoph Schlingensief overleed op 21 augustus 2010. Spalding Gray, die aan depressies leed, pleegde vermoedelijk zelfmoord. Op 7 maart 2004 werd zijn lichaam gevonden in de East River, New York.

Je zou wel eens willen weten wat Gray en Schlingensief elkaar te vertellen zouden hebben gehad.

De films van Schlingensief worden in het Ketelhuis vertoond van donderdag 2 t/m woensdag 8 juni. Zijn theaterwerk Mea Culpa is op 2 juni de openingsvoorstelling van het Holland Festival. Van 4 t/m 6 juni is Via Intoleranza te zien in de Zuiveringshal op het Westergasfabriekterrein.

Spalding Gray is in het Ketelhuis te zien van 10 t/m 13 juni.

Inlichten en rserveren: www.hollandfestival.nl

‘Ze willen alles op het spel zetten. In West-Europa ontbreekt dat verlangen stomweg’: Algerijnse B-Boyz kwetsbaar en onverzettelijk in Nya

24 mei 2011 |

Choreograaf Sofiane Abou Lagraa, die opgroeide in de Ardèche en zijn sporen verdiende in de Franse moderne dans, werd door zijn vrouw Nawal aangezet om iets in Algerije te gaan doen, het land van zijn ouders. Dit leidde uiteindelijk tot de opdracht om het Nationale Ballet van Algerije nieuw leven in te blazen. Het koppel Abou Lagraa besloot niet met de bestaande, klassiek opgeleide cast te werken, maar een hedendaagse afdeling aan het Ballet toe te voegen en de dansers daarvoor te recruteren uit de Algerijnse hiphop-scene. Nu bezoekt hij het Holland Festival met de Frans-Algerijnse co-productie Nya , waarin verworvenheden van de moderne en klassieke dans worden gecombineerd met hiphop en bovendien de Bolero van Ravel klinkt naast de Algerijnse evergreens van Houria Aïchi.

Zo onvoorstelbaar spectaculair als de moves van de mannen in Nya zijn, zo onbevangen staan de hiphoppers als danser op het toneel. Wat niet gek is, als je bedenkt dat zij nog niet zo lang geleden hun kunsten op straathoeken en pleintjes vertoonden. Hiphop, dankzij Youtube overal ter wereld uitgegroeid tot dé danstaal voor de jeugd. Het is doe-het-zelf-dans, waar je geen academische graad voor nodig hebt en waar virtuositeit en vrolijkheid hand in hand gaan. In battles zetten spot en collectieve beleving aan tot onderlinge competitie en persoonlijke handschriften. Zeker in combinatie met teksten en muziek geeft hiphop overal ter wereld een stem, een podium en een publiek aan mensen aan wie verder weinig gevraagd wordt.

Dat komt gelegen in Algerije, dat nog lang niet hersteld is van jaren van burgeroorlog. ‘Les années noires’ duurden officieel van 1991 tot 2001. De terreur beroofde Algerije van ieder openbaar leven. Minstens 150.000 mensen kwamen om in het geweld tussen regeringstroepen en islamisten, terwijl het Westen vakkundig de andere kant opkeek. Het 21ste eeuwse Algerije biedt, na tien jaar vrede, nog steeds bitter weinig perspectief, met name aan de jongste generaties. Hier lijkt geen lieve lente iets aan te kunnen doen, voorlopig.

Abou Lagraa hield in 2009 een auditie in Algiers en koos uit maar liefst vierhonderd gegadigden tien jonge mannen. Schoenverkoper, bloemist, kapper, straatventer of systeembeheerder, iedereen kreeg een jaarsalaris aangeboden in ruil voor een zwaar trainingsprogramma met klassieke en moderne technieken en yoga. “Ik heb mijn hele leven de klassieke kant van mijn moeder willen openbreken en veranderen”, zegt Boussouf Mokhtar, de enige danser met wortels in de theaterdans.

Het is spitsroeden lopen als je in Algerije hedendaagse dans wilt maken. Een ontbloot bovenlijf, een man en een vrouw samen op het toneel: wat aan de noordelijke kant van de Mediterranee vanzelfsprekend is, zorgt in Algiers nog voor een schandaal. “Het feit dat ik uit een moslimfamilie kom en Nawal een Marokkaanse Berber is, veroorzaakt soms al opschudding”, zegt Sofiane Abou Lagraa na afloop van een voorstelling in Rouen, eerder dit jaar.

Hij oogt vrolijk, maar is zich bewust van de rol die hij op zich heeft genomen: bruggenbouwer tussen Frankrijk en Algerije, elite en volk, theater en straat, de fijnzinnigheid van zijn kunst en de rauwe realiteit van het harde bestaan in Algerije. “Het idiote is dat ik dit werk in Frankrijk nooit zou hebben kunnen maken. In Algerije is een enorme honger, een diepe behoefte om eindelijk weer iets te doen. Mensen zijn bereid heel ver te gaan, risico’s te nemen, alles op het spel te zetten. In Frankrijk of elk ander West-Europees land ontbreekt die noodzaak, dat verlangen stomweg.”

Hoewel hiphop typisch een sport lijkt voor stoere individuen, bleken de B-Boyz uit Algerije er moeite mee te hebben om solo te dansen, zo zonder hun maten om zich heen. “Het is de gemeenschap die deze mensen draagt, hen vormt en verzorgt. Daar overleven ze op. Helemaal alleen de aandacht vragen en krijgen op zo’n groot podium boezemde de mannen angst in. Het leek zo ongepast.”

En waarom alleen mannen? Abou Lagraa: “Ik wil niet te veel heilige huisjes tegelijkertijd omverwerpen. Ik wilde geen “j’accuse” maken, maar me ook niet eindeloos laten beperken door allerlei taboes. Dus begin ik bij de mannen, probeer ik hen ook van een kwetsbare of sensuele kant te laten zien. Ik wil mensen verleiden hun eigen lichaam en hun individuele ervaringen serieuzer te nemen. De vrouwen doe ik gewoon de volgende keer.”

Het harde werken en diplomatieke gesoebat is niet voor niets geweest. De premiere van Nya, in de zomer van 2010 in Algiers, was dagen lang nationaal nieuws en het stuk kreeg een meer dan enthousiast onthaal, ook in Frankrijk, waar de voorstelling niet zelden voor zalen met 1000 man publiek wordt gespeeld.

Het modernisme van Abou Lagraa, waarin het werk van choreografen als Limon, Graham en Cunningham doorklinkt, stelt het pure bewegen voorop. Maar in plaats van moderne, gedisciplineerde dansers staan in Nya de rasimprovisatoren van de straat op het podium. Zij zijn niet gewend om met een uitgestreken gezicht beweging op beweging te stapelen, te deconstrueren of neutraal te zijn en zo pure dans te produceren, en al helemaal niet over klassieke diagonalen, op de Bolero van Ravel of met gezongen Koranverzen in de oren.

Heel subtiel verbindt Abou Lagraa verschillende verledens en tradities: Noord en Zuid, kolonisator en gekoloniseerde. Hij verbindt het cosmopoliete Algiers van vroeger, waar Béjart  langskwam, met de wereld van alledag. Béjarts erotiserende mannenballetten (Ravel’s Bolero was in 1985 het laatste internationale stuk in het Nationale Theater van Algiers) vloeien samen met de nostalgische liedjes van Houria Aïchi en de gezongen koranverzen die tegenwoordig een andere vorm van opwekking en troost bieden.

De voorstelling is een prachtig voorbeeld van ‘the best of both worlds‘. De dansers verfrissen met hun instelling en achtergrond, met hun persoonlijke engagement en eigenzinnige, krachtpatsende bewegingstaal de puristische esthetiek van de moderne dans. Andersom is Abou Lagraa, die vaker met het bijltje hakte, er in geslaagd om het frontaal en sociaal gerichte, directe dansen van de mannen om te vormen naar meer subtiele, kwetsbare en poëtische gestes, waarvoor op een straathoek of pleintje in Algiers allicht geen plaats is.

Door alles heen schemert de recente geschiedenis van geweld en dood, vrijheidsberoving, verwaarlozing en uitzichtloosheid. Lichamelijke virtuositeit helpt, als tegengif. Daarin lijken ballet, hiphop en circus op elkaar. Uiteindelijk is het de traditie van de moderne dans die hier uitkomst biedt: nergens wordt de pijn expliciet gemaakt, maar wanneer de mannen zo nu en dan toegeven aan de zwaartekracht en hem niet alleen behendig weten te weerstaan, worden de vele vormen van vallen, liggen en opstaan momenten om heel letterlijk te nemen.

website: www.aboulagraa.com

De voorstelling speelt woensdag 8 en donderdag 9 juni in de Stadsschouwburg Amsterdam, Grote zaal. Aanvang 20:30. Reserveren

Van Broadway-musical tot Libanese Nachtegaal: Pierre Audi toont vol trots het programma van de editie 2011

11 maart 2011 |

Zijn Nederlands is nooit zijn sterkste punt geweest, en hij houdt ook al niet van speechen. Toch is een persconferentie van het Holland Festival iets om bij te zijn, dus nemen we Pierre Audi‘s mindere performerskwaliteiten voor lief. in februari presenteerde hij het programma van de editie 2011, die een hele mooie belooft te worden, en die hopelijk niet de laatste zal zijn.

Een van de grootste Holland Festivals ooit: ‘mecenaat kan niet zonder subsidie.’

11 maart 2011 |

Annet Lekkerkerker is zakelijk directeur van het Holland Festival. Ze zet met een subsidie van ruim vier miljoen euro een festival van zes miljoen neer.