Image Image Image Image Image Image Image Image Image Image

Cultureel Persbureau | 25 May 2013

Scroll to top

Top

Tag-Archief - Cultureel Persbureau

‘Anti-Grieks’ geveldoek Theater Kikker vernield na protesten

12 januari 2013 |

Deze kregen we binnen via Facebook: “In de nacht van vrijdag 11 op zaterdag 12 januari om 1.30 uur heeft een groep van circa zeven jonge mannen een groot doek vernietigd dat aan de gevel hing van Theater Kikker aan de Ganzenmarkt in Utrecht. Het doek, dat Verder lezen

Column: Staat van Verwenning door Patrick van der Hijden, de opening van het debat Burger King & Burgerschap

21 januari 2012 |

In het debat Burger King & Burgerschap geven Patrick van der HijdenDavid van Reybrouck, Chris Keulemans en Samuel Vriezen hun visie op de staat van de burger. Publiek mag, maar hoeft niet, meedoen. Hieronder de column Staat van Verwenning, voorgedragen door Patrick van der Hijden – als aftrap voor het debat.

“Ons leven is in de achttiende eeuw uitgevonden.

De leden van de hogere klassen – de elite – hadden een eigen huis, vaak met tuin. Ze stuurden hun kinderen naar school en die begonnen daarna een vervolgopleiding. Ze hadden vrije tijd en kwamen over het algemeen op tijd op hun afspraken, door de horloges die ze droegen en de trekschuiten die op tijd vertrokken (ze klaagden bij vertraging). Burgers die buiten de stad woonden, forensden – met de koets, dat wel. Ze dronken koffie om wakker te blijven. Ze bezochten restaurants met menukaarten. Ze werden ingeënt tegen de pokken en hadden huisdieren. Een geweldige bron over dat leven vormt het dagboek van Otto van Eck, die daar op tienjarige leeftijd onder druk van zijn door de Verlichting bezielde ouders aan begon, in 1791. Daar ontleen ik bovenstaande voorbeelden aan.

Dit leven wordt aan het begin van de eenentwintigste eeuw niet door een kleine minderheid geleefd, maar door een groot deel van de Nederlanders. Die moeten het wel zonder personeel doen. Dat is namelijk vervangen door technologie. Verder lezen

De nuchtere onheilsprofeet John Gray horen spreken, is altijd een verademing #WU12

21 januari 2012 |

John Gray

Eind jaren tachtig was John N. Gray (South Shields, 1948) adviseur van Margaret Thatcher – Gray: “I was just a small mote of dust in her administration” – nu is hij felle criticaster van alles wat met het neoconservatieve gedachtegoed te maken heeft. Op Writers Unlimited voelde publicist Bas Heijne hem aan de tand.

Gray is politiek filosoof, voormalig docent aan de prestigieuze London School of Economics, beeldenstormer, taoist, onheilsprofeet en schrijver van magistraal scherpe, maar bij vlagen zeer sombere polemieken als False Dawn (1998), Straw Dogs (2002), Al Qaeda and What it Means to be Modern (2003), Heresies (2004) en Black Mass (2007). De man is – net als Noam Chomsky of Zygmunt Bauman – een van die zeldzaam visionaire politieke denkers die over bijna alles iets zinnigs te zeggen heeft.

Het is een verademing om hem te horen spreken. Ook al is zijn blik verre van optimistisch. Want, stelt Gray, na jarenlange van relatieve rust, stabiliteit en grote economische groei moeten wij Europeanen ons voorbereiden op een langdurige periode van stagnatie en terugval. “Wij mensen zijn ontzettend flexibele dieren, maar voor mensen die zich blijven vastklampen aan hun zekerheden en bang zijn voor verandering wordt de komende tijd heel desoriënterend.”

Onder de titel Should we love one another? (vrij naar een essay van Heijne) besprak Gray op Writers Unlimited het persoonlijke en politieke leven van Margaret Thatcher, het opkomende populisme in Europa, de erfenis van Tony Blair, globalisering, de haatpolitiek, de crisis en de dreigende desintegratie van de euro, de Tea Party en de Occupy beweging, de opkomst van Europees fascisme in nieuwe en oude stijl, de onvermijdelijke teloorgang van de Verenigde Staten als oppermacht in de wereld en de invloed van de nieuwe machtsblokken Brazilië, India en China.

Natuurlijk kwam ook Gray’s stokpaardje voorbij: zijn grote scepsis over de maakbare samenleving en het geloof in vooruitgang. Zoals hij uiteenzette in Heresies, zijn vlijmscherpe tirade met de ondertitel Against Progress and Other Illusions. Vooruitgang is de wetenschap is een feit, stelt Gray. Het is cumulatief, en vergaarde kennis gaat niet snel weer verloren. Dat is niet het geval in de ethiek en politiek. Moeizaam bevochten vrijheden en breekbare inzichten kunnen ‘in a blink of an eye’ weer teniet worden gedaan.

Nuchtere, maar geen vrolijke kost. Gray lijkt genoegen te scheppen in de profetische inhoud van zijn essays. Met nauwelijks verhulde zelfgenoegzaamheid verwijst hij, per aangesneden onderwerp, naar eerdere publicaties. Zoals in het geval van marteling. In 2003 schreef Gray een satirisch stuk in The New Statesman, vrij naar Jonathan Swift’s A Modest Proposal, waarin Gray een pleitte voor de onvermijdelijke toepassing van fysieke en geestelijke foltering, om informatie te kunnen inwinnen bij Oorlogsvoering 2.0. “Het was toen ondenkbaar dat de meest invloedrijke democratie in de wereld – lees: de Verenigde Staten – marteling zou goedkeuren. En kijk nu eens. Ze keuren zelfs waterboarding goed.”

Terug naar de titel van het gesprek: should we love one another? “Wél in je persoonlijke leven, maar zéker niet in de politiek,” zegt Gray lachend. “Liefde in de politiek is een gevaarlijke illusie. Die liefde is vaak gereserveerd voor bepaalde groepen, en gaat ten koste van de rest. In de politiek is een houding van sympathie en mededogen genoeg. Ik ben doodsbang voor elke leider die zegt uit liefde te regeren.”

Nog geen revolutie in Rotterdam

21 september 2011 |

Thierry Baudet en Willem Schinkel

Veel meer mensen hebben de Koningin met Prinsjesdag toegezwaaid dan dat er een dag eerder op het Malieveld stonden om tegen de bezuinigingen te protesteren. Waarom zijn we niet in staat om in opstand te komen? En wat kunnen we leren van de opstand van het Tahrirplein. Dat waren enkele vragen die voorbij kwamen tijdens ‘Lessen in revolte’, het debat van de Internationale Keuze.

 ‘We hebben vanavond geen opstand ontketend’, zou presentator Lex Bohmeijer aan het eind van het debat enigszins beteuterd constateren. Misschien zijn we er – zeker in het keurslijf van een Keurig Nederlands Debat – gewoon niet toe in staat om eens tegen wat conventies aan te schoppen. De keren dat er tijdens de avond onconventioneel tegen haren in werd gestreken, werd dat steeds snel gesust. Aan die gestreken haren lag ook geen klassenbewustzijn ten grondslag of hogere idealen, maar vooral de onverenigbare karakters van socioloog Willem Schinkel en historicus Thierry Baudet.

Terug naar het begin van het debat, terug naar het Tahrirplein. Ruud Gielens, theatermaker, was tijdens de opstand in Cairo en maakte een voorstelling over de revolutie: ‘De grootste les voor de activisten’, zei Gielens, ‘was dat de revolutie nu eigenlijk pas echt begint.’ Nu de militaire macht zich dreigt te consolideren zullen de revolutionairen van tactiek moeten veranderen. Maar het ontbreekt aan leiders om de revolutie voort te zetten. ‘Het mooie van revolutie was dat er geen leiders waren. Maar nu zijn ze wel nodig, dacht Gielens.

Openluchtmuseum

De sprekers waren het snel eens dat wat er in Egypte gebeurt hoopvol stemt, maar dat het Westen voorzichtig moet zijn om de eigen ideeën van vrijheid en revolutie op de gebeurtenissen te projecteren. Willem Schinkels: ‘Die opstand is net zo goed een opstand tegen ons en onze regeringen die decennia lang de dictatoriale regimes in stand hebben gehouden. Ons past bescheidenheid en zelfreflectie.’ Gielens: ‘Het eerste spandoek wat er op het parlement hing zei: ‘No Foreign Intervention.’

We vinden onszelf in Europa nog heel erg belangrijk, maar onze rol in de wereld is uitgespeeld, stelde het panel vervolgens unaniem vast.  Benali: ‘We zijn te rijk en te oud. Niemand wil overwerken en we zijn alleen maar pessimistisch. Europa is een openluchtmuseum. Er is ook niks waartegen we in opstand zouden moeten komen.’ Schinkels vulde daarbij aan dat onze ideologieën uit de 19e-eeuw zijn uitgeput.

Toch roept de bejaarde Franse schrijver Stéphane Hessel in zijn boekje ‘Indignez-vous’ op om ons te verzetten tegen de felbevochten waarden die we nu verkwanselen. De vraag is echter, zei Baudet, of die opstand de oplossing is. Hessel wil vooral terug naar het oude, terwijl we juist vooruit moeten kijken. Het systeem zoals we dat nu hebben gecreëerd is onhoudbaar geworden.

Oud-politica Hedy D’Ancona was blij met ‘Indignez-vous’: het neemt geen genoegen met de status quo. ‘Het gaat over een hoop die ik nog steeds koester. Ik wens me niet te schikken in de onrechtvaardigheid die ons nu wordt voorgeschoteld.’

Steggelen op Radio Een

Het probleem, vindt Schinkels, zit vooral in de depolitisering van de politiek. Onder Paars werd politiek ‘probleemmanagement.’ Baudet: ‘Maar uit het populisme blijkt toch juist een grote terugkeer naar de politiek.’ Schinkels: ‘Dat is nu juist het tragische van het populisme. Het komt in opstand tegen die depolitisering, maar uiteindelijk vinden ze vooral dat zij de problemen nog efficiënter gaan oplossen.’

De tegenstelling tussen Baudet en Schinkels begon nu lekker te broeien en ook Benali kwam in opstand, omdat het gesprek nu wel erg ver wegdreef van de opstand. Maar volgens de mores van het debat werd die revolte snel gesust.

Ook D’Ancona gaf aan dat alles in haar woelde om in opstand te komen. Maar dan vooral om los te komen van de bestaande structuren, van de politieke partijen misschien wel. Want ook die – ook de linkse – hebben geen wezenlijke nieuwe visies en lopen vast in hetzelfde discours. Benali was het met haar eens. We zijn blind voor de grote veranderingen in de wereld en ondertussen steggelen we met one-liners op Radio Een. Volgens Benali kan kunst ons helpen om fictieve alternatieven op de werkelijkheid te bieden. Maar aan de andere kant ontstaat revolutie pas echt als je ook echt iets te verliezen hebt. En dat hebben we niet. D’Ancona: ‘We moeten creatief aan de slag met de barre werkelijkheid en daarvoor heb je ook kunstenaars nodig.’

De opmerkingen over kunst leverden nog een snibbig debatje over de bezuinigingen op, dat snel werd afgekapt door Bohlmeijer. Terug naar het Tahrirplein en de revolutie ging het weer en naar de vraag, vanuit het publiek opgeroepen door theatermaker Guido Kleene, waarom juist in Egypte de revolutie kon ontstaan. Voor een revolutie, dacht Schinkels, is een stedelijke klasse nodig, een bevolking met veel jongeren en een sociaal probleem, dat in Egypte werd gevormd door de hoge voedselprijzen.

In Nederland, stelde hij nog maar eens vast, doen zich niet echt de ideale omstandigheden voor een revolutie voor. ‘We hebben een hele brede middenklasse, waardoor ook de politiek nauwelijks is gedifferentieerd. Als je ergens in het midden gaat zitten, zit je altijd goed. Misschien als de kloof tussen arm en rijk door de kabinetsmaatregelen nog groter wordt…’

Introvert Keuzedebat in De Unie: Kunstenaar als participerende socioloog #dekeuze

24 september 2010 |

Het debatseizoen in Rotterdam is dit jaar geopend in de vernieuwde zaal van De Unie. De net opgeleverde ruimte doet prettig en intiem aan. Des te opmerkelijker de uitspraak van gespreksleider Natasja van den Berg dat vragen vanuit de zaal niet zijn toegestaan ‘omdat die toch nergens over gaan’. Dat klinkt niet echt als warm welkom in een debatcentrum. Weliswaar leverde het podiumgesprek onder haar strakke leiding een verrassende meerwaarde. De uiterst diverse sprekers vonden elkaar in een prikkelende conclusie: de hedendaagse kunstenaar als participerend socioloog. Maar vooralsnog sloot het debat zelf publieksparticipatie uit.
Helemaal uit de lucht vallen kwam het verbod van van den Berg niet. Traditioneel begint het debatseizoen van de Unie altijd met het Keuzedebat dat plaats vindt op het podium van de Grote Zaal van de Rotterdamse Schouwburg. Vanwege de fysieke scheiding tussen podium en publiek is dit meer een ‘talk show’ waarin vragen lastig zijn. Maar in de intieme setting  van de Unie komt het verbod wat arrogant over.
Het debat zelf maakte overigens een frisse indruk. Naast Van den Berg (1975) was er een jonge garde bestaande uit de kunstenaars Jorge Leon en Jonas Staal en de socioloog Willem Schinkel. Als evenwicht waren er de meer ervaren dramaturg  Marianne Van Kerkhoven en politicus Ruud Vreeman.
Vooral Van Kerkhove blijkt een bijzondere mix van bevlogendheid en levenswijsheid. Van haar hand is de indrukwekkende installatiereeks ‘K, a Society’. Deze reeks  toont volgens haar zeggen mensen zoals ze te zien zouden zijn in een ‘eindbeeld van de wereld’.
De jonge filmmaker Jorge Leon is een avonturier. Hij werkt met kunstenaars samen op de grens van beeldende kunst, dans en theater. Het drieluik ‘To Serve’ is van zijn hand. Luciditeit of helderheid van geest vindt hij het belangrijkste aspect van kunst. De vorm doet er verder niet meer toe.
Jonas Staal (1981), de Rotterdamse ‘agitator’, propageert ‘een hernieuwd streven naar kunst voor iedereen  waarin jonge kunstenaars en progressieve politiek weer een gemeeschappelijk project moet formuleren’.
Ruud Vreeman (1947) concludeert dat de politiek zou moeten leren van ‘identificatie- en verwonderingsmogelijkheden’van de kunst. Hierdoor zouden populisme en vernieuwingspolitiek samen gedacht kunnen worden.
Het is uiteindelijk Willem Schinkel (1976) die de aanzet geeft tot de lucide conclusie van kunstenaar als participerend socioloog waar de sprekers zich uiteindelijk bij thuis voelen. Kernvraag in de hedendaagse kunst is volgens hem de vraag naar ‘de relatie van de kunstenaar met zijn sociale omgeving. Hiermee zijn mondiale ongelijkheid, uitbuiting en onderdrukking kunstthema’s geworden’. Zo wordt de kunstenaar een participerend onderzoeker, maar moet zich tegelijkertijd goed realiseren dat zijn resultaat herkenbaar is al kunst, ‘ander verliest hij de mogelijkheid om zijn resultaat te verkopen’.
Jammer dat de echte luisteraars in de zaal niets mochten vragen over de door Van Kerkhove aangestipte paradigmawisseling in de kunst, of het onbegrip van Staal voor de verzoenende positie van Vreeman. Of over Schinkels verhaal over de werkelijkheid als verzameling geïsoleerde sferen dat zelf absolute waarheid claimt zonder dat er een overstijgende waarheid kan bestaan. Nu liepen de sprekers dan ook wat beduusd van het podium, ongewis over wat de zaal er eigenlijk van vond.

‘Het Internationale Keuze Debat’ door De Unie in Debat en de Rotterdamse Schouwburg. Bijgewoond: donderdag 23 september in De Unie.
foto: Rene Castelijn

Debat over de toekomst van het programmeren: goede voorbeelden te over om te veranderen #tf2010

8 september 2010 |

Niemand van de gevestigde orde is aanwezig bij het druk bezochte debat dat Fonds Podiumkunsten, Theater Instituut Nederland en Muziekcentrum Nederland organiseren over de toekomst van het programmeren. Geen programmeurs uit eigen huis, de Stadsschouwburg Amsterdam, of een van de andere grote theaters in Nederland.
Jammer, want nu kunnen zij niet meepraten over de centrale vragen van het debat, met als gespreksleider (de vooral van Urban Myth bekende) Jörgen Tjon A Fong: is ‘democratisering’ van het artistieke oordeel met community platforms, internetredacties en crowd sourcing een modegril of het begin van een nieuw cultureel engagement? En hoe kan het clichébeeld veranderen van de witte man, die voor de culturele elite zijn best doet meer van hetzelfde – maar wel van hoogwaardige kwaliteit- binnen te halen? Hoe kan het theater de brug slaan naar een nieuw, jong en cultureel divers publiek?

Verder lezen

ComMotie in de Amsterdamse Stadsschouwburg

30 juni 2009 |

Door Robbert van Heuven

Gisteren vond in de Koninklijke Foyer van de Amsterdamse Stadsschouwburg voor de eerste ComMotie plaats, een debatreeks geïnitieerd door het NFPK, het TIN en Muziekcentrum Nederland. Onderwerp was de omstreden theatervorm blackface, waaruit het afgelopen seizoen voor twee theatervoorstellingen geput werd (The right thing van Urban Myth en Blackface van Orkater). Blackface is een theatertraditie waarin blanken zich zwart schminken om vervolgens op karikaturale wijze een zware na te doen. Verder lezen