Berichten vanAlles over de auteur - Cultureel Persbureau
Welcome in the human zoo is een spannend en soms beklemmend spel met echt en onecht #DeBasis
11 september 2011 | Sara van der Kooi
Vaak roepen publiciteitstekstjes een niet passend beeld op van de voorstelling waarnaar ze verwijzen. “De vliegbasis als een niemandsland: een militaire staat die is uitgevaagd en waar de natuur het gebied heeft overgenomen,” is er zo een. De tekst hoort bij Welcome in the human zoo, een ervaringstheatervoorstelling gemaakt door Suze Milius en Bram Jansen.
Zo’n zin roept associaties op met pionieren, lege vlaktes en basale overlevingsmiddelen. Groot is dan ook de verwarring als het publiek onthaald wordt als ging het om een reünie voor verre familieleden die elkaar al tijden niet hebben gezien en nu samen een weekendje in een paar vakantiehuisjes gaan zitten. Ieder publiekslid krijgt een kaartje met een nieuwe voornaam (en allemaal dezelfde achternaam, van den Berg) opgespeld en vanaf dat moment word je daar ook mee aangesproken.
Na een feestelijk drankje en een vrolijke groepsfoto krijgt ieder te horen in welk huis (goudhaantje, pimpelmees, notenkraker) hij of zij zal verblijven. Dan is het op naar de ouderwetse bus die de groep daar naartoe zal vervoeren. Een van de aanwezigen begint op vertrouwelijke fluistertoon een gesprekje met mij, over tuinieren in Zeist. De opgetogen sfeer van een familie-uitje wordt nog versterkt door de verjaardag van een van de aanwezigen, die als verrassing in de bus wordt gevierd. We zingen, hangen slingers op en eten bonbons.
De bustocht voert over de verlaten wegen van Vliegbasis Soesterberg. Langs die wegen lopen soms vreemde figuren. Smekend en verslagen kijken ze naar de buspassagiers. Het lijken wel zwervers, met voddige kleren en propvolle koffers. Dan ineens stopt de bus; er ligt iemand op de weg. De chauffeur en enkele ‘familieleden’ springen naar buiten om poolshoogte te nemen. Daarop breekt de chaos los, het is een valstrik en de bus wordt door een woeste bende overmeesterd.
Meer vertellen over het verloop van de voorstelling zou de impact ervan verpesten. Maar het spel met echt of onecht,leiden of volgen, erbij horen of verstoten worden, is spannend soms zelfs beklemmend.
Helaas was de voorstelling bij de première nog niet af. Dat was goed te merken aan de ongerichtheid van vele kleine elementen. En aan het einde, dat als een nachtkaars uitging. Als de regisseurs daar nog hard aan werken en bovendien de context van de tocht verduidelijken, hebben ze een voorstelling in handen die kan ontregelen en die tot nadenken stemt. Want wie bekijkt wie in het mensenpark? En wie sluit wie op?

Een onpeilbare bron van verdriet in Thousand Yard Stare op #DeBasis
10 september 2011 | Sara van der Kooi
Vliegbasis Soesterberg staat vol met grote hangars, loodsen en andere massieve gebouwen. Allemaal gedroomde locaties voor theatermakers, lijkt het. Regisseuse Ilmer Rozendaal maakte voor haar voorstelling Thousand Yard Stare een andere keuze. Ze plaatste de solo in een klein, luchtig eikenbosje met daarin een oud en vervallen bunkertje. De tijdloosheid van deze plek blijkt ideaal voor haar kleine en menselijke verhaal.
Een jonge jongen komt aangerend, een soldaat. Hij is verward en in paniek. Over de grond rollend van wanhoop bidt hij tot god: ‘vergeef ons onze schulden zoals wij vergeven onze schuldenaren.’ Hij richt zich tot het publiek; zijn ogen verwilderd en zijn houding en gezicht verwrongen. Onwillekeurig schraapt hij te hard zijn keel, likt iets te vaak aan zijn lippen. Deze soldaat lijdt aan oorlogsneurose, shellshock. ‘Het ergste soldateneinde is overblijven’, zegt hij. Schichtig kijkt hij om zich heen. Ophouden te herinneren en vergeten hoe het was, dat wil hij. ‘Breng mij de vrede waarvoor ik vocht!’ schreeuwt hij tegen de blauwe lucht die tussen de eikenblaadjes door schemert.
Geleidelijk aan ontstaat er een beeld van waar deze soldaat heeft gevochten. Hij vertelt in warrige flarden over de loopgraven die hij met zijn maten groef; hoe alles eerst nog geordend was, maar al snel in een bloederige, stinkende, modderige rotzooi veranderde. Een beeld van de Eerste Wereldoorlog is zo met slechts enkele zinnen opgeroepen.
Het verhaal is warrig, zoals bij de geestesgesteldheid van deze man past. Jeugdherinneringen, beschrijvingen van de helse toestanden in de loopgraven, een gesprek met een van zijn slachtoffers, woede op god en angst om te leven wisselen elkaar af. Een soort rode draad vormt het verhaal over het pasgeboren kind dat de soldaat temidden van de gevechten vindt. Of dat droom is of werkelijkheid, het doet er eigenlijk niet toe want voor hem is het werkelijkheid. Het kind vertegenwoordigt natuurlijk de onschuld die hij in deze barre omstandigheden zo node mist. Het verlies van het kind – als Christophorus die Jezus over de rivier draagt, maar ditmaal in zijn missie faalt – is dan ook een onpeilbare bron van verdriet voor hem.
De pas afgestudeerde regisseuse Rozendaal bewees eerder dit jaar al haar kwaliteiten als spel- en tekstregisseur in een bijzondere enscenering van Medea – ook in de open lucht – waarvoor ze de Ton Lutz regieprijs won. Ditmaal toont ze ook haar ensceneringskunde. De jonge acteur Bram Suijker speelt zijn rol vol overgave en vuur, hij spuwt zijn woorden uit, tiert, vloekt, lacht de huilt om de geesten in zijn hoofd. Soms overschreeuwt hij zich een beetje maar dan neemt hij steeds weer gas terug en verrast met een onverwachte beweging of geluid. Knap is hoe hij op het geluid van de onverwacht rondsjezende auto’s of overkomende vliegtuigjes angstig reageert. Suijker verkent letterlijk alle hoeken van het bosje maar het komt geen moment gekunsteld of geforceerd over.
De tekst, geschreven door Alexander Schreuder, is poëtisch en beeldend maar af en toe wat overdadig en al te gedetailleerd. De nauwkeurige beschrijvingen belemmeren soms het zicht op het spel en de verhaallijn. En ook de afloop van het verhaal is nevelig. Hebben we misschien toch niet naar een overlevende zitten kijken? Is hij niet ook trots op zijn daden? ‘Herinner me niet’, mompelt hij voordat hij wegloopt, het bos in. De vraag blijft wat we ons niet moeten herinneren.
